MIJN ROOTS

PLAATS- EN FAMILIENAMEN

ONTSTAAN VAN PLAATSNAMEN

Om te achterhalen waar een achternaam vandaan komt is het interessant om eerst in de toponymie te duiken. Veel achternamen zijn namelijk ontstaan uit toponiemen (plaatsnamen). Een blik in het telefoonboek zegt genoeg: ze zijn het vaakst te herkennen aan het voorzetsel 'van' of in Duits 'von'. De achternaam Van Woerden of Van Lierop ontstond uit respectievelijk de plaatsnaam Woerden en Lierop. Van Brussel en Brusselmans ontstonden uit het toponiem Brussel. Maar ook landschapselementen zoals een rivier (in NL: van der Aa, van Rijn, van Amstel), eiland, polder, moerasgebied, bergketen of woestijn, vormden de oorsprong voor plaatsnamen. Onderaan op deze pagina een overzicht van de diversiteit in de bestanddelen, en waar ze vandaan komen.

Plaatsnamen kunnen heel goed uit talen afkomstig zijn die ter plekke al lang niet meer gesproken worden. In Nederland en Vlaanderen worden sinds ongeveer 350 A.D. alleen Germaanse dialecten gesproken die zich ontwikkeld hebben tot de huidige dialecten en de Nederlandse en Friese standaardtaal. De meeste plaatsnamen zijn daaruit afkomstig. Maar sommige zijn ouder en bijvoorbeeld van Romeinse (zoals Utrecht: Trajectum) of Keltische oorsprong (zoals Nijmegen: Noviomagos). Ook van een Germaanse naam is vaak nog wel aan de hand van de vorm de ouderdom in te schatten.

Plaatsnamen die eindigen op herkenbare woorden, of die woorden in zich dragen zoals -donk, -holt, -horst, -laar en -bos stammen van na het jaar 1000. Voorbeelden resp.: Beek en Donk, Boerdonk, Keldonk, Oeteldonk, Soerendonk; Bocholtz, Dalmsholte, Holten, Holthees; Horst (a/d Maas), Bronkhorst, Staphorst, Grafhorst; Laarbeek, Vlaardingen, Middelaar; Stroobos, Oudenbos, 's Hertogenbosch, Vorstenbosch. In veel namen zijn niet direct Nederlandse woorden te herkennen, zoals in de naam Zutphen, wat komt van "zuidveen".

Ook kregen gehuchten, dorpen, steden en landstreken vaak hun naam door

  • de geografische verschijningsvorm
  • de persoon of familie die er woonde
  • een gebeurtenis die er plaatsvond
1. Geografische verschijningsvormen in plaatsnamen zijn te onderscheiden in
  • -landschappen (berg, duin, bos, dijk, meer), zoals in (T)Ubbergen, Soesterberg, Sint Odiliënberg; Bosch en Duin, Kijkduin, Loosduinen; Boskoop, 's Hertogenbosch, Oudenbosch; Andijk, Eemdijk, Kinderdijk, Broek op Langedijk; Aalsmeer, Haarlemmermeer, Boxmeer, Zoetermeer.
  • -bodemgesteldheid (zand, veen, zout), zoals in Cadzand, Loon op Zand, Zandvoort; Amstelveen, Diepenveen, Griendstveen; Zoutelande, Zoutkamp.
  • -menselijke activiteit (dam, burg, kanaal). Amsterdam, Giessendam, Leerdam; Spakenburg, Tilburg, Middelburg; Stadskanaal, Musselkanaal, Ter Apelkanaal.

2. De persoon die er woonde, zoals in 's-Heer Arendskerke, stichter van het dorp, wiens naam verbonden werd aan de kerk. Jan van Rosendaele kon Heerjansdam (onderdeel van Zwijndrecht) zijn naam geven omdat hij de bedijking mee bekostigde. Plaatsnamen ontstonden ook wanneer een persoon of groep personen (gezin, families) zich ergens vestigden en een plaats of nederzetting stichtten, er één of meer huizen, burcht of kasteel bouwden, waaraan vervolgens hun naam werd gegeven met als toevoegsel -heim. In Nederland zijn er zo 6 plaatsnamen (Diepenheim, Sassenheim, Windesheim, Bergentheim, Leuvenheim en Vredenheim), in Duitsland bestaan er ruim 100 plaatsen eindigend op -heim.

Het was vooral in de periode onder de Merovingen, een dynastie die het Frankische Rijk van 447 tot 751 zou regeren, dat in Duitsland veel plaatsen de uitgang -heim en -ingen kregen. De uitgang -heim betekent (t)huis, -ingen betekent afstammelingen van. Plaatsnamen die eindigen op –ingen tonen daarmee dus hun Germaanse oorsprong aan. In Romaans gebied verromaanste deze uitgang tot –ange, een naamtype dat we in België (Wallonië), Luxemburg en Frankrijk vaak tegenkomen, zoals Havelange, Martelange, Tihange.

3. Een gebeurtenis die er plaatsvond. Vaak kregen buurtschappen of gehuchten een naam n.a.v. een belangrijke of indrukwekkende gebeurtenis, zoals Brand (zowel in Limburg als Noord-Brabant).

Kijk eens op de lijst van Nederlandse plaatsnamen, en zoek er zelf voorbeelden bij.

Bestanddelen van een toponiem

Toponiemen kunnen bestaan uit:

1.Keltische bestanddelen

De Kelten hebben ons vooral namen van rivieren (hydroniemen) en van strategische vaak aan rivieren gelegen plaatsen nagelaten. De meeste namen bevatten dan ook de Keltische benaming voor water, waterloop of rivier of de omgeving, zoals Maas, afkomstig van het pre-Keltische Mosa, wat vochtig betekent, en de Demer, afkomstig van het Keltische tamara (donker water). Strategische plaatsen aan waterlopen zijn Gent -afkomstig van Ganda, wat monding betekent (Gent ligt aan de monding van de Leie in de Schelde)- en Nijmegen, ontstaan uit Noviomagus. Weliswaar een Romeinse plaatsnaam maar direct afgeleid van de Keltische woorden nowyos (nieuw) en magos (veld of vlakte).



2. Gallo-Romeinse bestanddelen

De toponiemen die we overhouden aan vijf eeuwen Romeinse bezetting schetsen een beeld van de maatschappelijke organisatie. De meeste plaatsnamen zijn elementen uit het legioen en bezettingen.

  • Castellum (fort): Kassel, Kessel, Kessel-Lo, Casteau
  • Castra (legerplaats): Kester, Kasterlee, Chastre, Kesteren, Kaaster, Kaster
  • Traiectum (oversteekplaats): Maastricht, Utrecht
  • Vicus (dorp, gehucht, wijk): Katwijk, Opwijk, Noorderwijk, Oisterwijk, Oudwijk, Wijk bij Duurstede, Vicq
  • Villa (landgoed): Villariacum Wilrijk, Wijlre, Wolder
  • De uitgang '(i)acum' of '(i)anum' (bezit): Villariacum, Blariacum (Blerick), Viroviacum (Wervik), Cortoriacum (Kortrijk), Orola(u)num (Aarlen)


3. Germaanse bestanddelen

Veel namen van beken, rivieren en meren met Aa of Aam, Ee, Ie of IJ zijn terug te herleiden tot het Oudgermaanse woord aha, ama of ara dat water betekent. Voorbeelden: Drentsche Aa en in verbasterde vorm: Amstel, Diem, Dokkumer Ee, Eem (vroeger Amer geheten), Eems en het IJ. Plaatsnamen met dit bestanddeel zijn bijvoorbeeld Amersfoort (ligt bij het punt waar meerdere beekjes samenkomen en de Eem vormen), Breda (Brede Aa, ontstaan bij de natuurlijke samenvloeiing van de rivieren Aa of Weerijs en Mark) en Pekela (zout water, gelegen aan de Aa). Het Germaanse woord lauha (open plek in een bos; bosje op hoge zandgrond) is in heel veel plaatsnamen terug te vinden als loo of le. Voorbeelden: Almelo, Baarlo, Dinxperlo, Heiloo, Leuven (van Lo-ven), Lotenhulle, Waterloo, Wattrelos.

In de plaatsnamen vinden we sporadisch een Saksisch element, zoals -tun, wat omheining betekent (Autun (F), Tungelroy, de enige plaats in Nederland met -tun). Een ander -verbasterd- voorbeeld is Waasten (Frans: Warneton), een dorp in de Belgische provincie Henegouwen waarvan de oorspronkelijke benaming Warnasthun was. We vinden deze uitgang nog steeds terug in het Engelse -ton. Voorbeelden zijn Norton, Easton, Wootton, Northampton en Southampton. De nederzettingen rond de burchten of forten uit de feodale tijd leidden tot namen die eindigen op -burg, die in sommige streken werden verfranst naar -bourg. Voorbeelden zijn Oostburg, Luxembourg (afkomstig van Lutzelinburg: de kleine burcht), Straatsburg, Limburg, Batenburg, Spakenburg, Den Burg, Dennenburg, Kraggenburg, Middelburg, Tilburg, Oost- en West-Souburg.

4. Christelijke bestanddelen

Aanvankelijk was de toponymische bijdrage van het christendom zeer beperkt. Dit was vooral te wijten aan het feit dat meer heidense volkeren (Germanen, Franken, Romeinen) in onze gewesten hun stempel op het maatschappelijke leven drukten. Toch zijn er woorden waarin we duidelijke religieuze invloeden kunnen terugvinden zoals klooster (monasterium), dat we bijvoorbeeld terugvinden in Waasmunster (in 1019 vermeld als Wasmonasterium), Munsterbilzen, Ingelmunster, Nieuwmunster, Munstergeleen, Monster, Kloosterburen en Kloosterzande. Uiteraard zijn vele plaatsnamen ook verwijzingen naar een kerk of kapel zoals Zuienkerke (in 1110 vermeld als Siuuancherka: kerk gesticht door Swivo), Serooskerke, Grijpskerke, Kerkenveld, Kerksken, 's-Heer Abtskerke, Wissenkerke en Kapellebrug. Vanaf de 12de eeuw lag vaak de lokale patroonheilige aan de basis van de plaatsnaam. In vele gevallen verdween zelfs de oude naam waardoor hij nu bijna onherkenbaar is. Voorbeelden zijn Sint-Omaars (vroeger Sitdiu) en Sint-Truiden (aanvankelijk Sarchinium). Minder verbasterde voorbeelden zijn Sint-Niklaas, Sint Annaland, Sint Annaparochie, Sint Annen, Sint Anthonis, Sint Geertruid, Sint Gerlach, Sint Hubert, Sint Isidorushoeve, Sint-Jacobiparochie, Sint Jansklooster, Sint Jansteen, Sint Johannesga, Sint Kruis, Sint Laurens, Sint Maarten, Sint Maartensbrug, Sint-Maartensdijk, Sint Maartensvlotbrug, Sint Maartenszee, Sint Michielsgestel, Sint Nicolaasga, Sint Odiliënberg, Sint Oedenrode, Sint Pancras, Sint Philipsland, St. Willebrord, Sint-Job-in-'t-Goor, Sint-Lenaarts, Sint-Martens-Leerne, Sint-Amandsberg en Sint-Denijs-Westrem.



Er bestaan overigens ook veel rare, opvallende, bijzondere en zelfs deprimerende plaatsnamen. Klik op onderstaande button (opent in nieuw venster).


Toponiem Ottenheim

Dat het toponiem (plaatsnaam) Ottenheim uit twee elementen bestaat is duidelijk. Ze bevat de Germaanse bestanddelen:

-OTTEN: afgeleid uit Oudhoogduitse voorvoegsels Ote- of Ot(t)o, Otuni, Otwin of Otini. Al deze voorvoegsels kunnen worden herleid tot het oude Germaanse "auda", wat rijkdom/schat/bezit betekende. Het zijn geen op zichzelf staande voorwerpen, en kunnen daarom alleen maar een persoonsnaam of afgeleide daarvan zijn.

-HEIM: afkomstig van het Germaanse woord "haima", dat huis of woning betekende. "Heim" is verwant aan het Engelse "home" en het Nederlandse "heem", maar is in de betekenis grotendeels verdrongen door het woord 'thuis'. Otten(s)heim is dus letterlijk vertaald "huis van Otten".

Rechts een van de oudste afbeeldingen van een "Ottenheimer": Bärbel (Barbara) von Ottenheim (1430–1484).

Uitgaande van deze informatie ben ik gaan zoeken in de gelijknamige plaatsnamen of er een oorsprong of enig verband is te vinden met mijn geslachtsnaam. De stichter van de plaatsnaam zou een voorvader kunnen zijn? Helaas is in de archieven van geen enkele plaats iets concreets aangetroffen wat aanknopingspunten opleverde voor de familielijn. Hier en daar zijn nog wel aktes/oorkondes beschikbaar waar de plaatsnaam in voorkomt.

De plaatsen Ottenheim

Links een kaart van Europa met daarop aangeduid de plaatsnamen Otten(s)heim. In Europa bestaan 3 plaatsen met de naam Ottenheim, en eentje met de naam Ottensheim. Het precieze ontstaan, of naam van de stichter is moeilijk te achterhalen. Ook bestaat er een Ottenheim in Kentucky (VS). Het ontstaan daarvan hangt samen met de immigratiegolf in de VS eind 19de eeuw (zie verderop).


Onderstaand kun je klikken op de naam Ottenheijm voor een overzichtskaart (Google maps) of op de website van betreffende gemeente (kijk dan onder "Geschichte" of "Tourismus").


Ottenheim, Duitsland

Ottenheim - sinds 01-07-1969 onderdeel van de gem. Weilerswist in Kreis Euskirchen, Nordrhein-Westfalen, 20 km. ten westen van de stad Bonn. Ottenheim wordt voor het eerst genoemd in 856 onder Koning Lothar II (geb. ca. 835) van het koninkrijk Lotharingen ("Regnum Hlotharii" 855-869). (website Ottenheim)

Ottenheim - het grootste stadsdeel van de gem. Schwanau in Ortenaukreis, Baden-Württemberg. Gelegen aan de Rijn, zo'n 40 km. onder Straatsburg. Ontstaan tussen de 5e en 6e eeuw in de tijd van de Alemannen, een verbond van Germaanse volkeren die zich definitief vestigden in het gebied tussen tussen de Rijn en de Donau. De Rijn vormde de grens tussen Allemannië en het West-Romeinse Rijk. (website Ottenheim)

Ottenheim, Oostenrijk

Ottenheim - plm. 45 km. ten westen van Wenen. In Augustus 1345 verschijnt de naam Ottenheim samen met de naam Eichgraben, toendertijd geschreven als "Ukenhaim" en ""Aichgrawen", voor het eerst in een kerkelijke Stichtingsoorkonde van het klooster "St. Andrä an der Traisen" (foto links). Deze oorkonde zou in het archief van het klooster in Herzogenburg te bezichtigen zijn. (website Ottenheim)




Ottensheim, Oostenrijk

In Oostenrijk bestaat ook nog een dorp met de naam Ottensheim - aan de Donau, 10 km. ten westen van de stad Linz. De naam "Oteneshaim" komt als eerste voor in 1148 in een akte van schenking van het klooster van Niederaltaich tegenwoordig Niederalteich, een plaats in het Duitse Landkreis Deggendorf, deelstaat Beieren) aan de stad Ottensheim in Oostenrijk. De naam kan afkomstig zijn van ridder Otini, die hier een burcht liet bouwen (Otini's Heim). (website Ottensheim)







Ottenheim, Kentucky (VS)

Ottenheim (voorheen Lutherheim, plm. 1883) ligt in de staat Kentucky, zo'n anderhalf uur zuidwaarts vanaf de plaats Lexington, en drieënhalf uur rijden ten noordoosten van het bekende Nashville in Tennessee. Het dorpje, of eerder gehuchtje, heeft geen eigen website, daarom in de pop-up info over de ontstaansachtergrond van de plaats, en over de immigratiegolf in de VS eind 19de eeuw.




ONTSTAAN VAN FAMILIENAMEN

In dit gedeelte gaat het over de familienamen die (meestal) daaruit ontstaan zijn. De Germaanse volken die sinds de 5de eeuw het gebied van het huidige België en Nederland bewoonden (de Franken, de Friezen en de Saksen) hadden een éénnaamsysteem. Eén naam volstond omdat bijna iedereen een verschillende naam kreeg. Dit was mogelijk door het combineren van naamelementen tot steeds nieuwe tweeledige samenstellingen.

In de middeleeuwen is het Germaanse éénnaamsysteem langzaam maar zeker in verval geraakt en geleidelijk vervangen door een tweenamensysteem bestaande uit een voornaam plus een toe- of achternaam. Deze ontwikkeling is toe te schrijven aan een samengaan van verschillende factoren:

  • 1. de invoering van het christendom (christianisering)
  • 2. verarming van het naamsysteem door vernoeming
  • 3. onderscheidingsdrang
  • 4. toename van de bevolking in de steden
  • 5. het typeren van de medemens

1. Het christendom

Na de invoering van het christendom in de vroege middeleeuwen verdwenen veel Germaanse persoonsnamen. Hoewel het pas na het concilie van Trente (1545-1563) verplicht werd om een christelijke doopnaam te dragen, gaf men toch vaak de voorkeur aan een naam uit de Bijbel. Heel wat vreemde namen werden in deze tijd geïntroduceerd: Hebreeuwse (bv. Johannes), Griekse (bv. Stefaan), Latijnse (bv. Marcus). Buiten het Friese gebied bleven de Germaanse namen alleen behouden in zoverre er heiligen met deze namen waren, bijv. Bernard, verlatijnst tot Bernardus.

In de 12de eeuw werden enkele heiligennamen zeer populair: Johannes, Petrus, Nicolaus en Wilhelmus voor jongens; Maria, Catharina, Margaretha voor meisjes. Onder andere door het gebrek aan voldoende heiligennamen kreeg een groot aantal dopelingen dezelfde naam. In de 10de eeuw waren er bijvoorbeeld in Gent voor 287 mensen nog 259 verschillende namen maar in de 13de eeuw droeg een derde van de mannen vermeld in de oorkonden van St.-Bernards-aan-de-Schelde de namen Johannes, Nicolaus of Wilhelmus. Het beperkte aantal beschikbare namen vormde een belangrijke oorzaak voor de afbraak van het éénnaamssysteem. Om de vele personen die Jan of Willem heetten, van elkaar te kunnen onderscheiden, werd een tweede naam toegevoegd, bv. Jan > Jans sone > Janssen (zoon van Jan).

2. Verarming door vernoeming

Het Germaanse naamgevingssysteem verarmde door mechanische vernoeming: vader en (oudste) zoon kregen dezelfde naam. Het oudste voorbeeld dateert uit 867: vader Liodricus heeft een zoon Liudricus. In de hoge middeleeuwen (1000-1250) werd vernoeming een mode bij adellijke families. Bepaalde namen werden van generatie op generatie overgedragen: Isbrand in het geslacht Haarlem, Diederik bij de Hollandse graven, Boudewijn ("machtig onder het volk") bij de graven van Vlaanderen. Van de adel zakte de mode af naar de lagere adel, naar de hogere burgerij en tenslotte ook naar de gewone lieden.

3. Onderscheidingsdrang

Een andere aanleiding tot uitbreiding van het éénnaamsysteem was de behoefte van de hogere standen om zich te onderscheiden van het volk. De adel was de eerste groep die een geografische toenaam aannam, waarin op het feodale bezit gewezen werd, bv. 1296: dominus Johannes de Berthoudt dictus de Berlaer (de Berthouts hadden heel wat bezittingen in de omgeving van Berlaar). Het Franse "de" en het Duitse "von" als aanloop in familienamen wijzen overigens op adellijke afkomst, bv. d’Udekem de Guertechin, von Droste zu Hülshoff. De mode van de tweenamigheid waaide over naar de burgerij: ook de burgers uit de steden begonnen een tweede naam toe te voegen. Die toenaam kon geografisch van aard te zijn waarmee plaats of streek van herkomst, de boerderij waar men woonde, maar of zelfs de achternaam van de heer die men vroeger diende werd aangeduid. Voorbeelden hiervan kunnen zijn: van Tilburg, van Brussel, van Velzen, van Groningen.

Ook kon het een afstammingsnaam zijn. Die kunnen worden onderverdeeld in de volgende subgroepen:

  • Vadersnamen (patroniem): de naam van de vader. Voorbeelden hiervan zijn: Pietersen (zoon van Pieter), Janssen (zoon van Jan), Willemsen (zoon van Willem)
  • Moedernaam (metroniem, deze zijn zeldzaam): ontstaan uit de voornaam van de moeder b.v. Neeskens (van Agnes)
  • Overige verwantsnamen: (b.v. Ooms, Oomen, Neefs, De Neef)

4. Toename van de bevolking in de steden

Een vierde factor is de opkomst van de steden en de enorme bevolkingstoename die daarmee gepaard ging vanaf de 12de eeuw (eerst in Vlaanderen, daarna in Brabant, vervolgens in Holland). Doordat de namenvoorraad tegelijkertijd verarmde ontstond een praktisch naamgevingsprobleem dat werd opgelost door over te schakelen op een tweenamensysteem.

5. Het typeren van de medemens (eigenschapsnamen)

Het typeren van de medemens is een motief dat van alle tijden is. Het identificeren en typeren van de medemens gebeurt niet alleen op grond van herkomst (bv. Van Brussel, Van de Velde), maar ook op basis van het beroep (beroepsnamen, bv. Desmet, Bakker, Kuiper, de Boer) of opvallende fysieke en psychische eigenschappen. Ook diernamen behoren tot deze namengroep. Voorbeelden zijn: De Wilde, De Groot, Roobaert, De Lange, De Groot, de Kleine, de Vos, de Leeuw, de Hond. Dit zijn types die overal ter wereld voorkomen.

Verloop en registratie

De ontwikkeling van vaste achternamen en het vastleggen daarvan verloopt geleidelijk: de invoering van erfelijke geslachtsnamen verloopt van zuid naar noord, van stad naar platteland, van de hogere naar de lagere klassen van de bevolking. In de Zuidelijke Nederlanden die vroeger dan de Noordelijke tot bloei zijn gekomen zijn er al vanaf de 13de eeuw namen die van vader op zoon/dochter worden overgedragen. In Vlaamse steden als Brugge en Gent hebben de meeste burgers al in de 14de en de 15de eeuw vaste achternamen. In Brabant en Limburg ontstaan vaste geslachtsnamen iets later dan in het graafschap Vlaanderen. In het Noorden is het gewest Holland het eerst met het aannemen van vaste geslachtsnamen: de ontwikkeling komt er op gang in de 16de en 17de eeuw. De noordelijke provincies Friesland, Groningen en Drenthe bereiken pas in de 18de en 19de eeuw hetzelfde peil als Holland. Maar namen veranderden, verbasterden in de loop van de tijd door uitsluitend mondelinge overgave en invloed van dialecten. Maar ook (later) door fouten toen namen werden vastgelegd in doopregisters en burgerlijke standen (zonder controle).

Onze familienamen zijn officieel en gedwongen vastgelegd in de Franse tijd onder Napoleon: in België gebeurde dat in 1795, in Nederland in 1811. Zo kon de burgerlijke stand worden ingevoerd, waardoor er effectieve belastinginning kon plaatsvinden en de dienstplicht beter kon worden afgedwongen. In Nederland doen allerlei fabeltjes de ronde over het aannemen van belachelijke achternamen in die tijd als protest tegen de Franse overheersing. Sindsdien kan er, tenzij om gewichtige redenen, niets meer aan de spelling van de namen gewijzigd worden en kunnen er ook geen nieuwe namen meer worden gevormd. Het aantal familienamen kan enkel worden uitgebreid door migratie van buitenlanders met niet-Nederlandse namen naar België of Nederland, bijv. de Italiaanse familienaam Di Rupo in Wallonië, de Romaanse naam Moureaux in Nederland of de namen van immigranten uit andere werelddelen, zoals Azië en Afrika.

Patroniem en Metroniem

Maar Napoleon geraakte niet overal waardoor hier en daar oude systemen in stand bleven. Bijvoorbeeld in IJsland. Daar maakt men in plaats van familienamen al eeuwen gebruik van patroniemen (vadersnamen) bij de naamgeving van personen. In principe betekent dit dat iedereen een door de ouders gekozen voornaam heeft, maar dat de achternaam afhankelijk is van de voornaam van de vader van de persoon.

De 'achternaam' bestaat uit de voornaam van de vader met als achtervoegsel 'son' (zoon) of 'dóttir' (dochter). Wanneer Einar Jónatansson en zijn vrouw Guðrún Stefánsdóttir een zoon en een dochter zouden krijgen, die ze besluiten Jóhann en Helga te noemen, dan zouden de volledige namen volgens de IJslandse logica als volgt luidden: Jóhann Einarsson en Helga Einarsdóttir. Indien de natuurlijke vader weigert een kind bij de geboorte te erkennen, krijgt het kind een moedernaam; een metroniem. Sinds enige tijd is het echter ook mogelijk om voor een metroniem te kiezen als de vader wel bekend is. Dan zijn er ook nog eens mensen die zowel een metroniem als patroniem als naam dragen. Als een vrouw gaat trouwen houdt zij haar eigen patroniem en neemt ze niet, zoals bij ons gebruikelijk, de achternaam van haar partner over.

Overigens bestaan er wel degelijk families in IJsland die over een vaste achternaam beschikken. Dat is dan ook niet altijd verboden. Voor immigranten worden bijvoorbeeld uitzonderingen gemaakt en tussen 1913 en 1925 mochten families kiezen tussen patroniemen en familienamen. Families die kozen voor de familienaam mogen die blijven gebruiken. Officieel krijgen zij ook een patroniem, maar ze gebruiken vaak slechts de familienaam.

In IJsland is het niet gebruikelijk om al voor de geboorte een voornaam voor de baby te kiezen. Meestal wordt er als het kind een week of vijf oud is een passende voornaam bedacht. Ouders kunnen hierbij kiezen uit 1853 namen die zijn goedgekeurd door de 'IJslandse namen commissie' (Mannanafnanefnd). Zij hebben een lijst met meer dan 1800 jongensnamen en 1700 meisjesnamen waar aanstaande ouders uit kunnen kiezen. IJsland doet namelijk erg z’n best om de taal te beschermen. Wil je als IJslander een naam aan je kindje geven die niet op één van die lijsten staat, dan kun je om goedkeuring vragen. De naam moet dan wel aan bepaalde criteria doen: zo moet de naam in de gebruikelijke IJslandse spelling geschreven worden. Uiterlijk zes maanden na de geboorte dient de naam te worden geregistreerd bij de daartoe bevoegde instantie. Tot die tijd staat van de baby in officiële documenten alleen een burgerservicenummer (kennitala) genoteerd en of het om een jongen (drengur) of meisje (stúlka) gaat.

Overigens bestaan er ongeveer 200 IJslanders van ouder dan één jaar die officieel geen naam hebben, omdat deze niet geregistreerd staat. Aan het begin van 2013 kreeg IJsland hierom wereldwijde aandacht, vanwege de naam van de destijds 15-jarige Blær Bjarkardóttir. Zij stond officieel niet vermeld als Blær maar als stúlka, omdat Blær (wat lichte bries betekent) geen toegestane naam is voor een IJslands meisje. Het is namelijk al een goedgekeurde jongensnaam. Uiteindelijk won het meisje de rechtszaak die zij hierover aanspande tegen de staat, waardoor ze vanaf 31 januari 2013 alsnog officieel de naam Blær mag dragen. Ook in het boek Brekkukotsannáll van Halldór Laxness uit 1957 komt overigens een vrouwelijke persoon met de naam Blær voor.

Veel moderne ouders kiezen een populaire naam voor hun kindje, maar traditioneel ingestelde ouders kiezen voor een naam met een betekenis. Einar, bekend uit het voorbeeld hierboven, betekent zoiets als 'hij die in zijn eentje strijdt' en de beroemde naam 'Björk' betekent 'berkenboom'. Holger en Nils worden helaas niet als naam gebruikt in IJsland, waardoor de kans erg klein is dat er in het land ooit een kleine held als Nils Holger(s)son (die in het IJslands Nilli Hólmgeirsson heet) zal worden geboren.

Familie

Er bestaan geen IJslandse tegenhangers van woorden als neef, nicht, oom, tante etc. In plaats daarvan wordt iedereen gewoon familie genoemd. IJslanders begrijpen de Engelstalige varianten ook niet goed. Bij hen is iedereen een frændi (man) of een frænka (vrouw). Zelfs tussen een oom en iemand die in de derde lijn familie is, wordt geen verschil gemaakt. Families zijn omvangrijk en hecht; als een soort clans. Ook buitenbeentjes worden niet buitengesloten.

Tutoyeren

Hoewel amicaal, familiair en/of jolig tutoyeren in grote delen van West-Europa vaak niet wordt geapprecieerd is het in IJsland juist gebruikelijk elkaar bij de voornaam of met þú (je) aan te spreken. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om vrienden, ouders, ouderen, beroemdheden, gezagsdragers of docenten. Alleen de president en God worden aangesproken met þér (u), hoewel die eerste er weinig problemen mee zou hebben als er þú tegen hem gezegd zou worden. In adressenbestanden worden namen altijd op voornaam gesorteerd. Zo zijn/waren (afhankelijk van of die dingen überhaupt nog bestaan) bijvoorbeeld de IJslandse telefoonboeken ook alfabetisch ingedeeld op voornaam in plaats van op achternaam. Er bestaan geen IJslandse tegenhangers van woorden als neef, nicht, oom, tante etc. In plaats daarvan wordt iedereen gewoon familie genoemd. IJslanders begrijpen de Engelstalige varianten ook niet goed. Bij hen is iedereen een frændi (man) of een frænka (vrouw). Zelfs tussen een oom en iemand die in de derde lijn familie is, wordt geen verschil gemaakt. Families zijn omvangrijk en hecht; als een soort clans. Ook buitenbeentjes worden niet buitengesloten.

Wil jij weten hoe je zou heten als je in IJsland geboren was? Klik HIER (opent aparte pagina).

Doopregister & Burgerlijke Stand

Een doopregister of doopboek, is een boek waarin de betrokken geestelijke (pastoor of dominee) of de koster van een kerk een lijst bijhoudt met namen en andere gegevens van dopelingen. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw werden doopregisters systematisch bijgehouden als uitvloeisel van de regels die het Concilie van Trente (1545-1563) daarvoor opstelde. In de meeste gevallen vermeldt de inschrijving in het register de datum van de doop, de naam of namen van de dopeling en de ouders, de namen van eventuele getuigen en meestal de naam van de geestelijke die de doop verrichtte. Daarnaast werd soms de woonplaats of buurtschap van de ouders en hun beroep of ambt vermeld, en in enkele gevallen ook de geboortedatum van de dopeling. Sinds 1792 verplichtten de Staten van Holland de geboortedatum en -plaats te vermelden. Doopregisters vormen een belangrijke bron van informatie van voordat de burgerlijke stand na een volkstelling op 01-01-1811 werd ingevoerd. De kerkgenootschappen werden toen verplicht hun doopregisters over te dragen aan de overheid.

In 1595 werd aangevangen met de voorbereidingen van het zgn. "Eeuwig Edict" (algemeen wetboek). Het "Eeuwig Edict van 1611" is een wet met 47 artikelen die op 12 juli 1611 uitgevaardigd werd door de aartshertogen Albrecht en Isabella. Het is één van de bekendste en meest geciteerde wetten uit het ancien regime en was de eerste aanzet tot een algemeen wetboek in de Zuidelijke Nederlanden. De opstelling van de wettekst zelf was het werk van de zgn. Geheime Raad. De artikelen van deze wet hadden betrekking op rechterlijke aspecten zoals het gewoonterecht, het strafrecht, het burgerlijk recht en tenslotte de rechterlijke organisatie. Met dit Eeuwig Edict legden de aartshertogen op die manier een hervormingspakket op aan de talloze rechtbanken in de Zuidelijke Nederlanden. Het bracht de overgang van een versnipperd gewoonterecht naar een geschreven en eengemaakt recht in een stroomversnelling. Ook vormde het Edict de basis voor de registratie van geboorten, huwelijken en overlijden van personen. Dit gebeurde door de kerk en de manier waarop dit gebeurde verschilde van plaats tot plaats. Het kan gezien worden als de voorloper van de burgerlijke stand zoals die bijna tweehonderd jaar later werd ingevoerd. Na de Franse Revolutie, maar nog voor het regime van Napoleon in 1799 begon, werd bij de Franse wet van 25-09-1792 de burgerlijke stand vastgelegd. In de Zuidelijke Nederlanden (lees: het huidige Vlaanderen incl. Vlaams Brabant) werd met de burgerlijke standregisters begonnen tussen 1796 en 1798. In de verschillende Vlaams-Limburgse gebiedsdelen startte men tussen 1796 en 1804.

In Nederland werd de burgerlijke stand pas in 1811 ingevoerd. De feitelijke invoering verschilt van plaats tot plaats. Zo werden de eerste huwelijksaktes in Amsterdam opgemaakt op 3 maart 1811. De overlijdens- en geboorteaktes beginnen daar op 23 juli van datzelfde jaar. In Friesland zijn er ook gemeenten waarvan de registers pas in 1812 beginnen. In de vrije gebieden Gemert en Ravenstein werd eind 18e eeuw ook al met de Burgerlijke Stand geëxperimenteerd. Onder het bewind van Napoleon werd in 1804 de Code Napoleon ingevoerd. Dit burgerlijk wetboek omvat naast de Burgerlijke Stand nog vele andere zaken. Met behulp van de Burgerlijke Stand kon Napoleon o.a. de dienstplicht voor zijn leger beter afdwingen en een efficiëntere belastingheffing invoeren. Onder meer hierom werden zijn hervormingen door de overheden ook na zijn bewind gehandhaafd in de eertijds door hem bezette gebieden. Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in de Zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen en Brabant, zie Wikipedia) waren de familienamen al eeuwenlang gestabiliseerd, maar dat was niet zo in de Noordelijke provincies van Nederland. Iedere burger die daar nog geen vaste achternaam had, werd door een apart decreet van Napoleon van 18 augustus 1811 verplicht er een te kiezen. Dat sommige mensen als protest een belachelijke naam als Naaktgeboren of Zondervan zouden hebben gekozen, is een hardnekkige mythe. De namen zijn vaak al ouder. Toch bleven er in Noord-Nederland nog geruime tijd mensen over die geen achternaam voerden. Op 17 mei 1813 werd een nieuw decreet uitgevaardigd waarin bepaald werd dat men toch echt voor 1 januari 1814 een achternaam moest kiezen. Maar ook dat werd niet overal opgevolgd. Veel later, toen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden alweer enige tijd een feit was, vaardigde koning Willem I op 8 november 1825 nog een Koninklijk Besluit uit waarin werd bepaald dat wie nog geen (vaste) achternaam had vastgelegd, daar nog 6 maanden de tijd voor kreeg. Een detail tot slot: de 10 meest voorkomende achternamen in Nederland zijn: De Jong, Jansen, De Vries, van de Berg, Bakker, van Dijk, Janssen, Visser, Smit en De Boer.)