DE AMERIKAANSE ONAFHANKELIJKHEIDSOORLOG
Een overzicht van de hoeveelheid conflicten tussen het Britse leger en de patriotten van de Verenigde Staten:
Hieronder een overzichtskaart van alle belangrijke veldslagen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in Amerika.
- Beleg van Boston, Massachusetts
(19 april 1775 – 17 maart 1776) - Slag bij Bunker Hill, Massachusetts
(13 juni 1775) - Slag bij Long Island, New York
(27 augustus 1776) - Slag bij White Plains, New York
(28 oktober 1776) - Slag bij Fort Washington, New York
(16 november 1776) - Slag bij Trenton, New Jersey
(26 december 1776) - Slag bij Princeton, New Jersey)
(3 januari 1777 - Slag bij Brandywine, Pennsylvania
(11 september 1777) - Slag bij Clouds, Pennsylvania
(16 september 1777) - Slag bij Paoli, Pennsylvania
(20 september 1777) - Slag bij Germantown, Pennsylvania
(4 oktober 1777) - Slag bij White Marsh, Pennsylvania
(5 – 8 december 1777) - Slag bij Monmouth, New Jersey
(28 juni 1778) - Beleg van Rhode Island, Rhode Island
(29 augustus 1778) - Veldslag bij Springfield, New Jersey
(23 juni 1780) - Beleg van Yorktown, Virginia
(28 september – 19 oktober 1781)
Over de eerste twee veldslagen, het Beleg van Boston en de Slag bij Bunker Hill, kon je al lezen op de vorige pagina "Vorming Verenigde Staten". Van alle andere veldslagen is genoeg informatie te vinden op internet, en daarom ga ik daar hier niet verder op in. Er is wel aandacht voor de "Vergeten Strijd": die van de inheemse bevolking (indianen). Zij werden gedwongen een keuze te maken tussen steun aan de Amerikanen of de Britten, en moesten die keuze vaak met de dood bekopen. En tenslotte een verslag over het Beleg van Yorktown (Virginia), de uiteindelijke overwinning door de Amerikanen samen met de Fransen, het einde van de oorlog in 1781 en het vredesverdrag.
DE LOYALISTEN
Toen de oorlog tegen de Britten op 19 april 1775 was begonnen (Beleg van Boston), hadden de kolonisten al snel nog een probleem: er waren nogal wat burgers in de verschillende zuidelijke staten die het oneens waren met de Onafhankelijkheidsstrijd. Zij wilden zich niet losmaken van Groot-Brittannië, maar trouw blijven aan koning George III. Zij werden de loyalisten genoemd. Hun aantal groeide snel, en op een bepaald moment bestond het uit 10.000 burgers. Ook zij begonnen zich te verzetten, acties te voeren, en uiteindelijk startten zij een burgeroorlog tegen de patriotten. Soms stonden zelfs familieleden tegenover elkaar, of vermoordden zij elkaar vanwege hun standpunten. Een zwarte patriottenvrouw werd door loyalisten vermoord in bed. Op de muur boven het bed werd geklad: "Gij zult geen rebel baren".
SLAVEN IN HET LEGER
Overal waar de beide legers, de Britse soldaten met loyalisten, of de patriottische soldaten, door de zuidelijke staten trokken, meldden zich slaven als vrijwilliger voor het leger, in de verwachting dat ze uiteindelijk vrij zouden zijn. Het Britse leger maakte dankbaar gebruik van de zwarte vrijheidszoekers, wanneer de plantage-eigenaar een kolonist was. Betrof het een eigenaar die loyaal was aan de koning, dan liet het leger de slaaf achter op de plantage.
Toen George Washington in 1775 het bevel overnam van het continentale leger, verbood hij direct de instroom van zwarte soldaten (zowel vrijen als slaven). Zuidelijke plantage-eigenaren waren doodsbang voor slavenopstanden als men zwarte mensen zou bewapenen.
Nadat de Britse gouverneur in Virginia, Lord John Murray, 4e graaf van Dunmore, eind 1775 vrijheid beloofde aan elke slaaf die tegen de patriotten vocht, vluchtten duizenden slaven naar de Britse linies. George Washington moest zijn beleid noodgedwongen herzien om te voorkomen dat de vijand te machtig werd.
Het Noorden rekruteerde actief: in de noordelijke staten (zoals Rhode Island, Massachusetts en Connecticut) mochten slaven zich uiteindelijk wel aanmelden. Een beroemd voorbeeld is het 1st Rhode Island Regiment, dat grotendeels bestond uit tot slaaf gemaakten die in ruil voor hun legerdienst direct hun vrijheid kregen. Veel witte patriotten in het noorden die niet zelf wilden vechten, stuurden hun slaven als officiële plaatsvervangers naar het leger. Het Zuiden weigerde categorisch: in de zuidelijke staten zoals Georgia en South Carolina bleef de angst voor gewapende zwarte mensen groter dan de angst voor de Britten, en zij weigerden hardnekkig om slaven te bewapenen voor het landleger. Al werden ze soms wel ingezet voor zwaar logistiek werk of bij de lokale marine. Waar de Britten slavenrekrutering gebruikten als economisch en militair wapen tegen rebellerende plantagehouders, rekruteerden de patriotten vaak uit bittere noodzaak vanwege acute personeelstekorten.
CIJFERS EN BITTERE REALITEITOngeveer 5.000 tot 9.000 zwarte Amerikanen (zowel vrije mannen als slaven) vochten uiteindelijk als 'Black Patriots' aan de Amerikaanse kant. Ter vergelijking: naar schatting 20.000 zwarte Amerikanen sloten zich aan bij de Britten ('Black Loyalists'), omdat de Britten een directere en betrouwbaardere belofte van vrijheid boden. Voor de patriotten was de paradox pijnlijk: zij vochten voor hun eigen politieke vrijheid en onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, terwijl zij tegelijkertijd honderdduizenden mensen in slavernij hielden. Veel slaven die voor de patriotten vochten, kregen naderhand hun vrijheid, maar lang niet allemaal; sommigen werden na de oorlog gewoon weer aan hun eigenaar overgedragen.
CHARLESTON, SOUTH CAROLINA
Charleston was de grootste stad, de "parel van het zuiden", en de belangrijkste handelsstad met de grootste haven. Ook was de stad het knooppunt van de internationale slavenhandel. De zwaarste slag die de Britten toebrachten, was de overrompeling en inname van de stad Charleston, South Carolina, in mei 1780. Britse troepen onder generaal Henry Clinton omsingelden de stad vanaf de landzijde en sloten de haven af. Op 12 mei 1780 gaf de Amerikaanse generaal Benjamin Lincoln zich over, wat leidde tot het verlies van zo'n 5000 Amerikaanse militairen en veel wapens. De Britten wilden de rijke havenstad gebruiken als uitvalbasis om het zuiden van Amerika te behouden. Het betekende een groot verlies voor de kolonisten en een verandering van het machtsevenwicht.
LANDVERRAAD
De Britten wilden graag Benedict Arnold van de patriotten strikken. Dat was een getalenteerde generaal en tactische bevelhebber bij de tegenstander. Arnold voelde zich gaandeweg steeds sterker ondergewaardeerd en gepasseerd door het Amerikaanse Congres. Terwijl hij zijn gezondheid en vermogen opofferde, zag hij juniorofficieren aan zich voorbijgaan bij promoties. Daarnaast verzette hij zich fel tegen de Amerikaanse alliantie met aartsvijand Frankrijk en kampte hij, om zijn status in stand te houden, met zware persoonlijke schulden.
Arnold zocht contact met de Britten. Die wilden alleen informatie. Ze vroegen hem te proberen bevel te krijgen over West Point in New York, een belangrijk strategisch fort bij de Hudsonrivier, om het vervolgens te verraden aan de Britten, zodat die de Hudsonvallei in handen konden krijgen. Dat lukte: in 1780 kreeg Arnold het bevel over het garnizoen van het vitale Amerikaanse fort. Hij stemde ermee in om de controle over dit fort aan de Britten over te dragen. In ruil hiervoor zou hij een bedrag van £ 20.000 (tegenwoordig € 3.500.000) en later een hoge rang (brigadegeneraal) in het Britse leger krijgen.
Het complot werd ontdekt toen zijn Britse contactpersoon, majoor John André, werd opgepakt door een koloniale militie. De militie waarschuwde twee personen: George Washington en Benedict Arnold. Deze laatste koos vervolgens het hazepad en wist maar ternauwernood te ontsnappen.
Na zijn vlucht vocht Arnold als Britse officier tegen zijn voormalige landgenoten. Na de oorlog verhuisde hij naar Londen. Hoewel hij zijn geld kreeg, werd hij ook door de Britten nooit volledig vertrouwd of gerespecteerd. Hij stierf in 1801 in relatieve anonimiteit en met diepe schulden. Hij wordt gezien als de grootste landverrader uit de geschiedenis van de Verenigde Staten. Zijn naam is in het Amerikaanse taalgebruik tot op de dag van vandaag synoniem met het woord 'verrader'.
DE FRANSE VERSTERKINGEN
Na tal van veldslagen en vele verliezen was er eindelijk goed nieuws voor de Amerikanen. In juni 1780 arriveerden de eerste Franse versterkingen in de Verenigde Staten. Maar ze landden in Rhode Island, het noorden van het koloniale gebied, en ver weg van het grote strijdtoneel. Ze rukten op naar New York en sloten zich aan bij de troepen van generaal George Washington.
VIRGINIA
In het begin van 1780 had het Britse leger het zuiden geïnvaseerd. Washington was met zijn leger nog in de buurt van New York. Al binnen een jaar hadden de Bitten het grootste deel van het zuiden, Georgia en de beide Carolina's, in handen. Ze aasden vervolgens op de belangrijkste en rijkste staat met de meeste plantages: Virginia. Thomas Jefferson bezat daar de grootste plantage, Monticello, met zo'n 600 slaven (foto beneden). Benedict Arnold keerde terug en leidde de invasie in de staat Virginia. Ze namen Monticello in, stichtten brand, braken wijnkelders open en pakten alles mee wat ze konden vinden. Inclusief 23 slaven, die werden toegevoegd aan het Britse leger. Ze plunderden de hoofdstad Richmond en staken gebouwen in brand. In mei 1781 werd de invasiemacht een stuk groter nadat het leger van Arnold zich aansloot bij de troepen van maar een van de meest succesvolle en gevreesde Britse generaals, Cornwallis. Zijn leger bestond uit 7000 soldaten en 4000 slaven. De Britten trokken verder Virginia in, en daarmee leek de revolutie voor de zuidelijke patriotten verloren. George Washington stond met zijn troepen, samen met de Franse soldaten, nog steeds honderden kilometers verderop in New York. Ze moesten snel naar Virginia, anders bleef er niets meer over om voor te vechten.
Het is vandaag de dag een UNESCO-Werelderfgoedlocatie.
INHEEMSE NATIES TIJDENS DE AMERIKAANSE REVOLUTIE: DE VERGETEN STRIJD
Terwijl Britse soldaten door het Amerikaanse Zuiden zwermden en het hart van Virginia introkken, vochten de inheemse volkeren in het Amerikaanse Westen hun eigen onafhankelijkheidsoorlog. Een klein stukje voorgeschiedenis:
Toen de kolonisten in 1776 in Philadelphia bijeenkwamen om over de Amerikaanse onafhankelijkheid te praten, brachten zij een verborgen agenda met zich mee. Een aanzienlijk aantal afgevaardigden op het Continentale Congres was namelijk zelf actief als speculant in de westelijke inheemse gebieden, waar tot dan toe uitsluitend indianenstammen woonden. Prominente figuren zoals George Washington, Thomas Jefferson en Benjamin Franklin verdienden hun fortuin door dit land op grote schaal op te kopen, op te delen en in kleinere porties met winst door te verkopen. Jefferson klaagde destijds openlijk dat koning George III het de koloniën bewust bemoeilijkte om nieuw land te verwerven (Proclamatielijn 1763). De afgevaardigden arriveerden dan ook op het congres met een diepgewortelde wrok tegen de inheemse bevolking en een knagende honger naar meer westers grondgebied. Het was daarom niet verrassend dat de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring expliciet naar de inheemse bevolking verwees. Thomas Jefferson nam een directe smet op in de tekst en bestempelde hen als 'meedogenloze Indiase wilden'. In deze formulering voor de inheemse volkeren lag een zeer reële angst voor de inheemse macht besloten. Hoewel het document plechtig verklaarde dat alle mensen gelijk waren geschapen, golden de 'meedogenloze wilden' duidelijk als uitzondering. Blanke patriotten waren er namelijk van overtuigd dat veel inheemse groepen rond juli 1776 de zijde van de Britten kozen, en die aanname was juist. Voor veel inheemse naties aan de grenzen van de koloniën was een Britse overwinning de meest gunstige uitkomst.
DE MOEILIJKE KEUZE VOOR DE INHEEMSE BEVOLKING
De inheemse bevolking (indianen) wilde dat de koninklijke regering van Groot-Brittannië de opstandige kolonisten in het gareel zou dwingen en de zogenaamde Proclamatielijn van 7 oktober 1763 strikt zou blijven handhaven. De indianen zagen de Onafhankelijkheidsverklaring en de daarin opgenomen beledigingen dan ook als de directe voortzetting van een langlopende grensoorlog die de blanke Amerikaanse kolonisten tegen hen voerden. Met deze verklaring verbraken de kolonisten hun trouw aan de kroon, waarmee een nieuwe Amerikaanse rechtsorde ontstond. Als de Britten de strijd hadden gewonnen, zou de Proclamatielijn behouden blijven en de Amerikaanse expansie en onafhankelijkheid in de kiem zijn gesmoord.
Op het moment dat de dertien koloniën zich onafhankelijk verklaarden van Groot-Brittannië, werden de kolonisten officieel Amerikanen. De mensen zelf veranderden niet direct, maar hun zelfbeeld kantelde volledig. De absolute kern van al deze gewapende conflicten was het onmiskenbare verlangen naar het land. De Amerikaanse Revolutie was in feite een strijd van een groep mensen die vochten om Indiaans grondgebied; het bekende protest tegen belastingheffing zonder politieke vertegenwoordiging ("no taxation without representation") speelde een veel kleinere rol dan de wil om de inheemse ontheemding voort te zetten. Iedereen streed om de dominantie over dit grondgebied, waarbij de inheemse volkeren volledig buiten de toekomstplannen werden gehouden. De onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten was tevens een direct machtsvertoon richting de inheemse naties. Het maakte hen duidelijk dat toekomstige diplomatie en handel niet langer via de Britse kroon zouden verlopen, maar rechtstreeks via het Amerikaanse Congres. Dit congres presenteerde zich als de nieuwe, absolute macht waarmee in de toekomst onderhandeld moest worden. De inheemse volkeren stonden hiermee voor een enorm dilemma. Moesten zij de Engelse kroon blijven steunen, of moesten zij luisteren naar hun directe koloniale buren? Aangezien de uitkomst hen rechtstreeks zou raken, was de keuze van levensbelang.
Toen het Britse Rijk officieel in oorlog raakte met zijn voormalige kolonisten, begon de revolutie in wezen als een intern conflict. De eerste reactie van veel inheemse naties was dan ook om zich hier buiten te houden. Sommige stammen zagen de situatie heel helder en beschouwden de strijd puur als een burgeroorlog tussen blanke bloedverwanten, een conflict dat hen niet aanging. Hoewel velen strikt neutraal wilden blijven, bleek die neutraliteit in de praktijk onhoudbaar. Ze beseften dat ze hun loyaliteit uiterst zorgvuldig moesten overwegen, aangezien ze na de oorlog moesten samenleven met de uiteindelijke winnaar, of dat nu de Britten of de Amerikanen waren. Wanneer een oorlog zich vlak voor je achterdeur afspeelt, is onbetrokken blijven immers onmogelijk, waardoor ook de vredelievende naties van indianen ongewild in het conflict werden meegezogen.
DE CHEROKEE-INDIANEN
In het grensgebied tussen de Amerikaanse koloniën en het Britse territorium koos de Cherokee Nation uiteindelijk de zijde van de Britten.
De natie telde destijds ongeveer 12.000 leden, onder wie zo'n 3.000 strijdbare mannen, verdeeld over 43 dorpen aan de zuidkant van de Appalachen. De Cherokee hadden van oudsher een krachtige onderlinge band en vormden een diplomatiek en commercieel cruciaal netwerk in de regio. Hoewel verschillende Cherokee-hoofdmannen zich in het verleden plechtig hadden gecommitteerd aan vredesverdragen met koloniale functionarissen, hielden deze overeenkomsten geen stand. Er rezen dan ook grote, urgente vragen over de daadwerkelijke toekomst van de Cherokee in dit onrustige gebied. Dit bood jonge Cherokee-mannen een manier om zichzelf binnen hun gemeenschap te bewijzen. Ze zagen en hoorden van andere inheemse leiders de harde realiteit van wat hen te wachten stond. De jonge strijders konden niet langer worden tegengehouden, en de stamhoofden verloren de controle om hen te beletten de grens over te steken naar de nederzettingen in North- en South Carolina.
De Amerikanen reageerden hierop met de zwaarst mogelijke gevolgen voor elke Cherokee die ze konden vinden. Terwijl George Washington van plan was de Delaware-rivier over te steken, ontketenden Amerikaanse milities in het zuiden een woedende campagne tegen de Cherokee. Huizen werden platgebrand en niets bleef overeind staan. Zelfs de gewassen werden volledig vernietigd, wat voor de inheemse volkeren ondenkbaar was; men vernietigde immers nooit zomaar een voedselbron. Hoewel de strijders niet allemaal direct werden gedood, werd hun herstelvermogen door het vernietigen van het voedsel volledig gebroken. Het idee om binnengevallen gemeenschappen in hun geheel systematisch te verwoesten, was volslagen vreemd voor de inheemse volkeren. Bijna de helft van de Cherokee-steden werd bij het uitbreken van de oorlog onmiddellijk in de as gelegd. De manier waarop de Cherokee hun toekomst voor zich zagen, veranderde drastisch in de nasleep van dit moment; er was geen enkel onderdeel van hun samenleving dat onberoerd bleef door deze grootschalige vernietiging.
Om in vrede te kunnen overleven, moesten de Cherokee zich uiteindelijk noodgedwongen zo'n 1300 tot 1600 kilometer verwijderen van de Amerikaanse kolonisten en kwamen daarmee terecht in Oklahoma (boven Texas). De harde lessen die de Cherokee al heel vroeg in de Amerikaanse Revolutie leerden, hadden een enorme impact op de deelname van andere inheemse naties. Vooral in het zuiden besloten veel stammen na het zien van deze verwoesting om de Britten principieel niet te helpen. Veel inheemse naties stonden immers al eeuwenlang in contact met de kolonisten. Niet elke gemeenschap was even gretig om zich tegen hun Amerikaanse buren te keren; velen zagen hen als vrienden, gingen naar dezelfde kerken en deelden de wens om niet door de Britten belast te worden. Verschillende gemeenschappen pasten zich op hun eigen manier aan het leven met de kolonisten aan. Een van de meest opvallende voorbeelden hiervan was de Stockbridge-gemeenschap.
DE STOCKBRIDGE-INDIANEN
Deze gemeenschap had in de loop der jaren vluchtelingen uit alle windstreken en christelijke missionarissen verwelkomd. De inwoners waren voor het grootste deel tweetalig en spraken vloeiend Engels, en onder hen bevonden zich ervaren veteranen uit de Zevenjarige Oorlog. Toen de Stockbridge-indianen moesten beslissen of en aan welke kant zij zouden deelnemen aan de Onafhankelijkheidsoorlog, kozen zij resoluut de Amerikaanse zijde. De mannen van Stockbridge meldden zich al vroeg in de oorlog aan als vrijwilliger. Zodra het nieuws over de slagen bij Lexington en Concord hen bereikte, trokken ze naar Boston. Zij vochten mee in de Slag om Bunker Hill en sloten zich massaal aan bij het Continentale Leger, waarmee ze present waren bij veel van de belangrijkste veldslagen van de Amerikaanse Revolutie. Terwijl de meeste inheemse naties de Britten steunden, viel de Stockbridge-gemeenschap op door haar onvoorwaardelijke bereidheid om achter haar Amerikaanse buren te staan. Zij vochten mee met de patriotten in de langdurige strijd om Noord-Amerika.
THE STOCKBRIDGE MASSACRE (of de Slag bij Kingsbridge)
Maar op 31 augustus 1778 werden zij in de Bronx (New York) geconfronteerd met een dodelijke aanval. Er gebeurde iets wat in de geschiedenis van de inheems-blanke relaties vrijwel nooit voorkwam: de blanke Amerikaanse troepen lokten hun eigen inheemse bondgenoten in een hinderlaag, verrasten hen en slachtten hen genadeloos af. Het was een brute slachting onder de indianen die zich nota bene aan de Amerikaanse kant hadden ingekocht, waarmee zij op afschuwelijke wijze werden misbruikt en verraden door de Amerikanen. Althans, zo ging het verhaal de geschiedenis in. De werkelijkheid was anders. De aanval werd in werkelijkheid uitgevoerd door Britse koningsgezinde troepen (loyalisten), en dus niet door de Amerikaanse revolutionairen zelf. Dit was wat er precies gebeurde en waarom deze hinderlaag werd opgezet:
De slachtoffers waren krijgers van de Stockbridge-militie, een eenheid die hoofdzakelijk bestond uit christelijke Mohicanen, Wappingers en Munsee. Het was een compagnie Indiaanse verkenners die deel uitmaakten van het Continentale Leger. Daniels zoon, Abraham Nimham (geboren in 1745) was door generaal George Washington aangesteld als kapitein van de militie.
Zij waren een van de weinige inheemse groepen die vanaf het begin de kant van George Washington en de Amerikaanse rebellen hadden gekozen. Ze vochten mee in grote veldslagen zoals Saratoga en Monmouth. De Stockbridge-krijgers stonden bij de Britten bekend als uitstekende verkenners en sluipschutters. Ze voerden constante, dodelijke guerrilla-aanvallen uit op de Britse linies rondom het bezette New York City. De Britse legerleiding wilde deze dreiging definitief uitschakelen. De Britse luitenant-kolonel John Graves Simcoe zette met zijn Queen's Rangers (een eenheid van Amerikaanse loyalisten die vochten vóór de Britse koning) een valstrik op.
Ze lokten de inheemse verkenners een open veld in (het huidige Van Cortlandt Park). Zodra de inheemse Amerikanen omsingeld waren, openden de loyalisten en de Britse cavalerie de aanval. Ongeveer 40 Stockbridge-krijgers, waaronder hun gerespecteerde leider Daniel Nimham en zijn zoon Abraham (geboren in 1745) werden ter plekke genadeloos afgeslacht. Voor een buitenstaander leek dit een gevecht tussen Amerikanen onderling, maar militair en politiek gezien waren de daders de gezworen vijanden van Washingtons revolutie.
HAUDENOSAUNEE-VOLK
Omdat hun gronden wat verder landinwaarts lagen, kregen de Haudenosaunee-indianen niet direct te maken met de eerste schokgolven van de Engelse kolonisatie. Dit gaf hen de tijd om zich aan te passen en zich strategisch te bewapenen. Ze bouwden een enorm handelsimperium op waarin Europese goederen en met name Europese vuurwapens centraal stonden. Hierdoor beschikten de Haudenosaunee niet alleen over duizenden bekwame krijgers, maar waren zij ook uiterst modern uitgerust.
Om hun loyaliteit te verzekeren, gaven de Britten de inheemse volkeren in het gebied van de Grote Meren voor meer dan 100.000 pond aan goederen, waaronder ruim 10.000 liter rum. Maar door deze intensieve contacten verspreidde zich ook een dodelijke dreiging. In 1777 brak er een zware pokkenepidemie uit in Noord-Amerika, die ook de Haudenosaunee zwaar trof. Terwijl veel andere koloniale gemeenschappen bijna elke generatie met een uitbraak te maken kregen en immuniteit opbouwden, hadden de inheemse volkeren deze biologische afweer niet. De epidemie trof hen op het slechtst denkbare moment, midden in hun militaire mobilisatie. In sommige gevallen ging meer dan 90% van de populatie verloren. Dit verstoorde hun nederzettingspatronen, hun landbeheer en hun vermogen om zichzelf effectief te verdedigen, waardoor de Indiaanse confederatie dieper werd verzwakt dan ooit tevoren. In deze diepe crisis zochten de inheemse gemeenschappen naar richting om te bepalen wie zij moesten steunen. Het vuur van de centrale regeringsraad werd gedoofd, wat symbool stond voor de interne breuk: de machtige Confederatie van de Zes Naties van de Haudenosaunee viel uiteen.
JOSEPH BRANT
Hoewel sommige groepen besloten de Amerikanen te steunen, koos het merendeel de kant van de Britten. Binnen de pro-Britse factie wierp een jonge Mohawk-leider zich op als de belangrijkste spil. Zijn naam was Joseph Brant. Hij was opgegroeid in het huishouden van het hoofd van de Britse Dienst voor Indische Zaken, de man die de diplomatieke relaties tussen de inheemse volkeren en de Britse kroon beheerde. Door deze opvoeding begreep Brant als geen ander wat het betekende om de onderdaan van een koning te zijn. Hij leerde de anglicaanse religie kennen, bezocht Engelse scholen en sprak meerdere talen, waardoor hij zich ontwikkelde tot een uiterst bekwaam diplomaat. Net als andere inheemse leiders in dit tijdperk besefte Brant dat een zekere mate van aanpassing aan de veranderende wereld noodzakelijk was, zolang de inheemse kernwaarden maar werden behouden. Via strategische handels- en diplomatieke relaties probeerde hij te verkrijgen wat zijn gemeenschap nodig had. Tegelijkertijd was zij een angstaanjagende krijger die zijn volk fel verdedigde; als jonge man had hij al meegevochten in de Franse en Indische Oorlog. Terwijl het Amerikaanse continentale leger in Valley Forge een lange, dodelijke winter doormaakte, lanceerde Joseph Brant met zijn Haudenosaunee-strijders uiterst succesvolle verrassingsaanvallen op Amerikaanse stellingen in het noordoosten. Hun tactiek was genadeloos effectief: ze richtten enorme schade aan en trokken zich vervolgens bliksemsnel terug.
WASHINGON'S TOTALE VERNIETIGING VAN DE HAUDENOSAUNEE-INDIANEN
Voor de Amerikaanse kolonisten was deze guerrillaoorlog uiterst frustrerend en nagenoeg onmogelijk te bestrijden. De Amerikaanse legerleiding besefte dat ze grote delen van het Amerikaanse Westen dreigden te verliezen aan de Britten, tenzij ze de invallen van Brant en zijn confederatie definitief de kop in drukten. Als George Washington hoopte te zegevieren, moest de macht van de Haudenosaunee volledig worden vernietigd. Toen Groot-Brittannië zijn militaire aandacht verlegde naar een invasie van de zuidelijke koloniën, zag Washington zijn kans schoon. Hij gaf zijn generaals het bevel om een grootschalige tegeninvasie te starten, recht in het hartland van de Haudenosaunee-confederatie. Als militair leider was de rol van Washington in de relatie met inheemse volkeren uiterst eenzijdig: zijn taak was niet het sluiten van handelsakkoorden of vredesverdragen, maar het wegvagen van inheems verzet en het vernietigen van hun leefomgeving. De daaropvolgende militaire campagnes werden gekenmerkt door de tactiek van de verschroeide aarde. Dit leidde tot de massale ontheemding van complete Irokees-gemeenschappen, waarbij huizen, dorpen en boerderijen stelselmatig in de as werden gelegd. De Haudenosaunee werden vluchtelingen in hun eigen thuisland. Tienduizenden van hen zochten noodgedwongen hulp bij hun Britse bondgenoten, die net buiten Fort Niagara een gigantisch vluchtelingenkamp inrichtten dat zich kilometerslang uitstrekte langs de Niagara-rivier.
De Britten waren echter totaal onvoorbereid op deze enorme toestroom. Om de schaarse meelrantsoenen kunstmatig te vergroten, zodat er meer uitgedeeld kon worden, mengden de Britten ongebluste kalk door het meel. Deze chemische toevoeging had gruwelijke gevolgen voor de uitgehongerde vluchtelingen en deed de tanden en het tandvlees van de mensen wegrotten.
De daaropvolgende winter van 1779-1780 ging de geschiedenis in als de meest verwoestende van die eeuw. De sneeuw viel zo snel en zo diep dat er een ijzig klimaat ontstond waarin massale sterfte en onbeschrijflijk lijden de boventoon voerden. Met deze campagne bereikte Washington iets wat geen enkele andere militaire leider in de Noord-Amerikaanse geschiedenis tot dan toe had gepresteerd: de systematische en totale uitroeiing van complete inheemse nederzettingen. Als gevolg hiervan gaven de Haudenosaunee hem een angstaanjagende eretitel die hem altijd zou bijblijven: 'Stadsvernietiger'. Door de vernietiging en verspreiding van de Haudenosaunee-confederatie had Washington een cruciale bondgenoot van het Britse Rijk uitgeschakeld. De boodschap aan Londen was onmiskenbaar: de Verenigde Staten zouden hun eigen koers varen. Tegenwoordig bestaat vaak de misvatting dat de Verenigde Staten destijds als vanzelfsprekend westwaarts over het continent zouden uitbreiden en elke inheemse natie op hun pad simpelweg terzijde zouden schuiven — een aanname die aan de basis ligt van de latere mythe van "Manifest Destiny". Manifest Destinywas het 19e-eeuwse geloof dat de Verenigde Staten goddelijk voorbestemd waren om zich over Noord-Amerika uit te breiden. Deze ideologie werd gebruikt om de expansie naar het westen, de verdrijving en onderwerping van indianenstammen en de verwerving van nieuwe gebieden door middel van aankoop, onderhandeling en oorlog te rechtvaardigen. Deze ideologie werd gevoed door een gevoel van Amerikaans exceptionalisme (uitzonderlijkheid) en was nauw verbonden met de verspreiding van democratie en kapitalisme.
Tijdens het revolutionaire tijdperk was er echter niets onvermijdelijks of waarschijnlijks aan deze Amerikaanse expansie. Het waren in feite de inheemse naties die de strategische militaire balans in handen hadden over enorme delen van de Noord-Amerikaanse kaart. Het is cruciaal om niet te vergeten dat deze inheemse volkeren al sinds mensenheugenis op dit continent leefden. Zij beschikten over een diepgaande kennis van de geografie en maakten deel uit van eeuwenoude, rijke handelsnetwerken en diplomatieke connecties. Dit waren diepgewortelde relaties waaruit geput kon worden om de samenleving telkens weer opnieuw op te bouwen. De kracht van deze gemeenschappen lag in hun fundament van onderlinge verbondenheid, wederkerigheid en wederzijds voordelige samenwerkingsverbanden. Dankzij deze onverwoestbare structuur slaagden de Haudenosaunee erin om, ondanks de diepe littekens van de oorlog, hun cultuur en gemeenschap te laten voortbestaan.
DE LOZE BELOFTEN of: DE RUN OP VRIJE SLAVEN
Hierboven kon je in de alinea 'SLAVEN IN HET LEGER' lezen over vrijheid die aan slaven was beloofd door zowel Britten als Amerikanen, die ze zouden krijgen in ruil voor hun dienstplicht. Zodra de gevechten stopten, gingen burgers vrijwel onmiddellijk op zoek naar tot slaaf gemaakte mensen die tijdens de oorlog waren ontsnapt. Gedurende het conflict hadden Britse troepen deze mensen voortdurend een snelle bevrijding uit de slavernij beloofd, op voorwaarde dat zij naar de Britse linies zouden vluchten. Wat daarna gebeurde, was tragisch. Velen van hen kwamen nooit toe aan de volgende stap: het daadwerkelijk verlaten van Noord-Amerika. Mensen die in wezen vrij waren, zagen alles op het spel staan toen de Britten zich begonnen terug te trekken. Er ontstond grote chaos. Veel zwarte mensen weigerden achter te blijven, omdat achterblijven betekende dat ze onherroepelijk opnieuw in slavernij zouden belanden. De patriottische slavenhouders probeerden de zaken zo snel mogelijk weer naar het oude normaal terug te brengen en schoven de aanspraken op vrijheid, die de zwarte bevolking tijdens de oorlog had opgebouwd, resoluut terzijde. In de meeste gevallen kregen deze vluchtelingen uiteindelijk een veilige doorgang van de Britten uit de Verenigde Staten. Ze werden niet teruggegeven aan hun patriottische meesters, tot grote woede van George Washington. Hij raakte het bezit over zijn eigen tot slaaf gemaakte mensen kwijt, en hetzelfde gold voor Thomas Jefferson. Hoewel de Amerikaanse leiders hun eigendommen terugeisten, weigerde Groot-Brittannië dit. In een poging om een vorm van superioriteit over Amerika te behouden, gebruikte Groot-Brittannië de tot slaaf gemaakte mensen als een diplomatiek onderhandelingsmiddel tegen de jonge natie. Voor de tot slaaf gemaakte mensen die eigendom waren van de loyalisten zelf, werd de vrijheid echter niet gegund. Zij werden simpelweg aan die loyalisten overgedragen om mee te doen wat ze met de rest van hun bezittingen deden. Er was hierdoor sprake van een schril contrast in het lot van deze mensen: zij werden, buiten hun eigen schuld om, gecodeerd als zwarte loyalisten óf puur als eigendom behandeld. Niet alle blanke of zwarte loyalisten staken de Atlantische Oceaan over. Velen van hen werden verplaatst naar gebieden op het continent die nog onder Britse invloed stonden, ver weg van hun vertrouwde thuis. Voor veel Britse loyalisten was Nova Scotia de belangrijkste locatie om naartoe te trekken, en duizenden van hen vertrokken daarheen. Uiteindelijk vestigden zich ongeveer 3.000 voormalig tot slaaf gemaakte mensen in deze regio.
Deze zwarte vluchtelingen in Nova Scotia waren weliswaar vrij, maar zeker niet gelijkwaardig. Over het algemeen kregen zij veel kleinere percelen toegewezen dan de blanke kolonisten, áls ze überhaupt al land kregen. Ze vervielen in diepe armoede en raakten in de schulden. Een groot aantal zwarte mensen moest noodgedwongen aan de slag als ongeschoolde arbeider of contractarbeider. Bovendien hadden zwarte mensen geen stemrecht in Nova Scotia. Hoewel sommigen bleven, pakte een aanzienlijk deel tegen de jaren 1790 zijn spullen om koers te zetten naar Sierra Leone. Uiteindelijk besloten meer dan 1.000 zwarte mensen naar deze Britse kolonie in West-Afrika te vertrekken. De belofte van vrijheid was een belofte die in Amerika niet werd nagekomen; de sociale en fysieke omstandigheden in Nova Scotia waren zo erbarmelijk dat zij bereid waren het risico van een lange, zware zeereis buiten het continent te nemen.
EINDE VAN DE OORLOG
In 1778 was de Amerikaanse Revolutie een wereldoorlog geworden. Frankrijk wilde zijn oude rivaal, Groot-Brittannië, vernederen en begon geld en goederen te sturen naar de Amerikanen, maar dat had niet genoeg impact. In 1780 arriveerde de grote Franse invasiemacht onder leiding van generaal en bevelhebber Rochambeau, een Frans militair en maarschalk van Frankrijk. Washington wilde zo spoedig mogelijk naar Virginia, maar moest daarvoor met 19.000 manschappen ongemerkt door staten marcheren waar de Britten waren gelegerd. Maar Washington liet valse en grootse aanvalsplannen op New York uitlekken om de Britten te misleiden. Ze bouwden er zelfs broodovens. De Britten lieten soldaten aanrukken uit zuidelijke staten voor versterkingen, en de Amerikanen onder leiding van generaals Washington en de Franse graaf en generaal de Rochambeau trokken met hun legers in het diepste geheim vanuit New York via een kleine omleiding zuidwaarts naar Virginia.
Toen Britse generaal Henry Clinton achter de misleiding kwam, stuurde hij een zeemacht zuidwaarts om Franse schepen te onderscheppen. Rond diezelfde tijd arriveerden ook Washington en Rochambeau met hun manschappen in Virginia en de Britten werden in de tang genomen:
- In augustus–september 1781 werd Yorktown omsingeld. Het eerste bombardement was een voltreffer. Cornwallis deed nog een uiterste poging. Hij liet via burgers een pokkenvirus verspreiden, in de hoop dat via contacten met burgers het virus zou toeslaan bij de Amerikanen. Generaal Hamilton mocht van Washington de lichte infanterie aanvoeren. Onder leiding van hem werden cruciale Britse verdedigingswerken (redoutes) ingenomen.
- Op de Atlantische Oceaan werd de grootste zeeslag van de oorlog geleverd. De Franse admiraal de Grasse versloeg de Britse vloot in de Zeeslag bij de Chesapeake Bay op 5 september 1781. Hierdoor raakte de Britse generaal Charles Cornwallis in de havenstad Yorktown volledig afgesneden van versterkingen over zee. Die zat daardoor in de problemen in Virginia. Hij moest zich terugtrekken op een schiereiland.
Eind september omsingelden de gecombineerde Amerikaans-Franse troepen de Britse stellingen op het land, wat leidde tot de overgave en de Britse aftocht (oktober 1781).
Op 17 oktober zwaaiden de Britten de witte vlag: ze gaven zich over. Op 19 oktober 1781 begon de ceremonie van overgave: de Britse generaal Cornwallis tekende de officiële overgave. Meer dan 7.000 Britse soldaten moesten hun wapens inleveren. Een deel van de Britse soldaten moest noordwaarts marcheren, waar ze in krijgsgevangenkampen terechtkwamen. De overgebleven Britse troepen trokken zich definitief terug uit Virginia en scheepten in richting New York.
POLITIEKE AARDVERSCHUIVING IN LONDEN
Het nieuws van de totale nederlaag bereikte Londen in november 1781 en veroorzaakte een politieke crisis. De Britse premier Lord North trad in maart 1782 gedwongen af vanwege het verlies van steun in het parlement. De nieuwe Britse regering onder Lord Rockingham besloot de kostbare oorlog in Amerika te staken. Zij gaven prioriteit aan de strijd tegen Frankrijk en Spanje in Europa en het Nederlandse Caribisch gebied.
Vooral door de kosten voor de oorlog en de reeds ontstane miljoenenschuld, 280 miljoen pond, wilde het Britse parlement vrede. De middelen en de wil om verder te gaan met de oorlog ontbraken bij de Britse Kroon.
De Britten kregen het bevel om ook hun overige zuidelijke posten, zoals Savannah en Charleston, te evacueren. De legers werden met schepen teruggehaald uit Amerika. In de grootste havensteden vond de uittocht plaats van tienduizenden Britse soldaten, alsmede 60.000 loyalisten (een aantal dat tijdens de oorlog flink was gestegen). Het werd de grootste maritieme operatie ooit, die een jaar zou duren. Het beleg van Yorktown en de overgave van Cornwallis vormden de cruciale climax die leidde tot de uiteindelijke Britse nederlaag.
DE WEG NAAR PARIJS
Terwijl Groot-Brittannië Noord-Amerika evacueerde, startten de Verenigde Staten het diplomatieke proces op om de oorlog formeel te beëindigen met een vredesverdrag. Een kleine delegatie van Amerikaanse diplomaten stak hiervoor de Atlantische Oceaan over. Deze cruciale onderhandelingen vonden plaats in Parijs.
De Britse gezant Richard Oswald werd in april 1782 door Britse ministers gekozen om in Parijs de geheime vredesbesprekingen te leiden met de Amerikaanse delegatie, en de eerste informele gesprekken te voeren met Benjamin Franklin, de Amerikaanse onderhandelaar.
Richard Oswald was een Schotse koopman, slavenhandelaar, diplomaat en adviseur op het gebied van de Noord-Amerikaanse handel. Tijdens de Amerikaanse Revolutie was hij adviseur van het Noorden op het gebied van handelsregels en de beste manier om op de oorlog te reageren. Hij was tevens de belangrijkste Britse vredescommissaris die onderhandelde over de voorlopige vredesartikelen voor het Verdrag van Parijs in 1782, dat de Amerikaanse onafhankelijkheid erkende. Daarvoor werkte hij samen met de Amerikaanse diplomaten Benjamin Franklin, John Jay, John Adams en Henry Laurens. De voorlopige vredesovereenkomst werd op 30 november 1782 ondertekend. De kernpunten van de onderhandelingen waren:
- Akkoord bereiken over de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten,
- visrechten voor de Newfoundlandse kust,
- een westelijke grens die zich uitstrekt tot aan de Mississippi.
Dit opende de deur naar de formele vredesonderhandelingen die later dat jaar zouden leiden tot het Verdrag van Parijs.
Oswald werd in april 1783 vervangen door David Hartley na politieke verschuivingen in Groot-Brittannië, hoewel de kernvoorwaarden die Oswald had opgesteld, behouden bleven in het uiteindelijke Verdrag van Parijs. De grote vraag was wie er precies van de vrede zou profiteren, en hoeveel. Alle Europese machten die aan weerszijden bij het conflict betrokken waren geweest, maakten zich ernstige zorgen dat de Verenigde Staten te veel voordeel zouden behalen. Er bestond destijds al een sterk gevoel dat de Verenigde Staten zouden uitgroeien tot een krachtige aanwezigheid in de Atlantische wereld. Ondertussen probeerden de Amerikanen hun voordelen en de prestaties die geleid hadden tot hun onafhankelijkheid maximaal uit te buiten.
Op dit punt waren de Britten verwikkeld in een brede, mondiale oorlog tegen Frankrijk, Spanje en Nederland. Voor hen was een snelle vrede met de Amerikanen een puur strategische keuze. De Amerikanen hadden in wezen bereikt wat ze wilden: ze hadden hun onafhankelijkheid binnen. Daarom besloten ze, ondanks een eerdere afspraak met Frankrijk om uitsluitend gezamenlijk aan de onderhandelingstafel te verschijnen, een afzonderlijke deal met Groot-Brittannië te sluiten. Zowel de Britten als de Verenigde Staten wilden namelijk absoluut voorkomen dat de Franse invloed in Noord-Amerika zou herrijzen tot boven het niveau van 1763. Zonder de oprichting van een Frans machtsblok kozen de Amerikanen er stiekem voor om de handen ineen te slaan met Groot-Brittannië. Ze sloten een onderhandse deal over het officiële einde van de oorlog.
VREDE VAN PARIJS
Op 30 november 1782 waren er al voorlopige vredesverdragen getekend in Parijs. Maar het duurde tot 19 april 1783 voordat de Britten definitief hun verlies erkenden en zich begonnen terug te trekken uit de Verenigde Staten. Met het tekenen van de Vrede van Parijs op 3 september van dat jaar (soms ook Vredesverdrag van Versailles genoemd) kwam er formeel een einde aan de oorlog. Het koninkrijk Groot-Brittannië erkende de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika.
- Onafhankelijkheid: Groot-Brittannië erkende de dertien koloniën in Amerika als vrije, soevereine en onafhankelijke staten.
- Nieuwe grenzen: de VS kregen een enorm grondgebied dat in het westen reikte tot aan de rivier de Mississippi.
- Vertrek Britten: de Britse troepen trokken zich terug uit de Amerikaanse steden en forten. De laatste vertrok op 25 november 1783.
- Nieuwe staatsvorm: de dertien koloniën vormden definitief de Verenigde Staten van Amerika, met George Washington als de latere eerste president.
Dit werd formeel vastgelegd in de Vrede van Parijs op 3 september 1783. Het ondertekende vredesverdrag van Parijs werd geratificeerd door het Congres van de Verenigde Staten op 14 januari 1784.
Nummer 2 van de onderhandelingsresultaten: de Proclamatielijn uit 1763, ingesteld door koning George III van Groot-Brittannië, was daarmee van de baan. Het westelijk territorium behoorde niet langer tot de indianen. De weg naar het westen lag nu open voor Amerikaanse kolonisten. Dit leidde al snel tot een enorme migratiestroom (de Westward Expansion), wat overigens rampzalige gevolgen had voor de inheemse stammen die de Britten eerder juist hadden geprobeerd te beschermen.
Op de afbeelding hierboven staan de ondertekenaars van het verdrag afgebeeld: v.l.n.r. John Jay, John Adams, Benjamin Franklin, Henry Laurens en William Temple Franklin, op een schilderij van Benjamin West. De Britse onderhandelaar David Hartley (foto links), lid van het Britse Lagerhuis en ondertekenaar van het Verdrag van Parijs namens Engeland, weigerde te poseren, waardoor het schilderij nooit werd voltooid. Hartley was overigens het eerste parlementslid dat in het Britse Lagerhuis de afschaffing van de slavenhandel bepleitte; in 1776 had hij een resolutie ingediend waarin hij stelde dat "de slavenhandel in strijd is met de wetten van God en de rechten van de mens".
Op 20 december 1777 was Marokko het eerste land dat de rebellerende kolonies al had erkend als onafhankelijke staat. Frankrijk volgde op 6 februari 1778. De eerste Nederlandse erkenning kwam van Friesland op 26 februari 1782, gevolgd door de andere Nederlandse gewesten op 19 april van dat jaar. Het verdrag zou tot 1812 standhouden. Op de foto beneden staat het gebouw op 56 Rue Jacob in Parijs, waar de ondertekening plaatsvond. De vertaalde tekst op het bord aan de gevel luidt:
"In dit gebouw, het voormalige Hotel van York, hebben op 3 september 1783 David Hartley, in naam van de koning van Engeland, en Benjamin Franklin, John Jay en John Adams, in naam van de Verenigde Staten van Amerika, het definitieve vredesverdrag ondertekend waarmee de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten werd erkend." Tegenwoordig is er in het gebouw een grafisch bedrijf gevestigd.
De Amerikaanse overwinning alsmede de officiële erkenning van de Verenigde Staten als een onafhankelijk land waren een feit. En daar was het uiteindelijk allemaal om te doen geweest. Hoewel het verdrag in 1812 al geschonden zou worden, wanneer de Britten en de VS opnieuw de wapens zouden kruisen. Daarover lees je op de pagina "Vorming Verenigde Staten", als je deze pagina sluit.