Een zoektocht naar mijn eigen roots, het ontstaan van mijn familienaam en -stamboom vanaf plm. 1600.

ANTOON OTTENHEIJM

op zoek naar een achternaam

De middenstander

Antoon (opa) Ottenheijm, op de foto rechts met zijn eerste vrouw Wilhelmina Korsten, werd geboren op 10-09-1895 als zoon van landbouwer Jacobus Ottenheijm en Maria Kessels (2e foto links). Hij groeide op in Helden, en werd later zelfstandig ondernemer in Helden-Panningen alsmede medeoprichter van de Middenstandsvereniging in Helden.

Vanaf 09-02-1920, zijn trouwdatum, stond Antoon als kantoorbediende geregistreerd. Op 24-jarige leeftijd was hij een inspecteur bij "GELRIA", een spaar- en voorschotbank uit Arnhem (zie afbeelding links: de begeleidende brief bij zijn contract -helaas is een gedeelte weggevallen.

Vanaf 18-01-1932 (huwelijksdatum met zijn tweede vrouw Cornelia Voordouw) stond hij in het trouwregister als vrachtrijder vermeld (www.pondes.nl). Samen met één van zijn broers runde hij een expeditiebedrijf in aardappelen, groenten en fruit, en reed vooral op Venlo en Weert (zie briefkaart rechts; een telefoonnummer bestond nog uit 2 cijfers....)

Waarschijnlijk was die broer Johannes Jacobus (Sjang), geboren op 08 april 1901 in Helden, en geregistreerd als vrachtrijder/ vrachtondernemer). Maar het kan ook zijn broer Louis (Lodewijk Jacobus Ottenheijm, geb. 17-04-1905), zijn geweest, die als chauffeur geregistreerd werd vanaf 16-08-1932. Ook Louis was een middenstander, had later een slagerij aan het Raadhuisplein in Panningen, en was eveneens actief binnen de middenstandsvereniging.

Antoon Ottenheijm en Wilhelmina Korsten zijn op 9 februari 1920 getrouwd in Helden, maar daarna naar Venlo verhuisd. In 1924 kwamen ze weer naar Helden, met hun kroost Mien en Sjaak. Tot 14-09-1934 woonden ze op het adres Ruijsstraat 29 (foto links). Het pand was in de 19e eeuw een strohulzenfabriek en is in 1892 verbouwd tot marechausseekazerne Panningen. De marechaussee verhuisde in 1921 en het pand werd wederom verbouwd, nu tot 2 woonhuizen, nr. 29 en 31. De straten in de wijk achter het huis herinneren aan die tijd: Achter de Kazerne, Marechausseestraat, Brigadestraat.

Zie: (website marechausseesporen).




Gemeente Helden

Oorspronkelijk was er de gemeente Helden (later ook wel Helden-dorp genoemd). De gehuchten/dorpjes er omheen, zoals Koningslust, Beringe, Egchel, en Grashoek werden later toegevoegd. Panningen, ook wel Kepèl genoemd, ontstond pas veel later, rondom een bedevaartskapel en werd een zelfstandige parochie binnen de gemeente Helden. Daarom werd vroeger ook altijd Helden als voorvoegsel gebruikt (Helden-Panningen, etc.). Panningen is later veel harder gaan groeien dan de rest, en heeft de meeste inwoners. Het is nu de grootste plaats/kern binnen de nieuwe gemeente Peel & Maas.

Vroeger had men geen straatnamen maar iedereen kreeg een nummer als ze in een dorp kwamen wonen. Hun woonadres in Panningen heette in beginsel dan ook niet Ruijsstraat, maar Straatje 553, Huishoek 322. Dit was een gehucht tussen Helden en Panningen. Straatje in Huishoek is dus later Ruijstraat geworden en in 1e instantie is nr. 553 in nr. 13 gewijzigd. De Ruijsstraat is later weer vernummerd en nr. 13 is toen veranderd in nr. 29 (zie afbeelding; bron: Gemeente Peel & Maas).

uitschrijving gemeente Helden


Nadat het gezin nog verder was uitgebreid met Harrie, Andre (overleden toen hij net geen 1 jaar oud was), Mia en Silvester, overleed moeder Wilhelmina op 05-04-1931 in het kraambed bij de geboorte van Louis. Antoon hertrouwde op 18-01-1932 in Helden met Cornelia Voordouw. Samen kregen ze, precies 9 maanden later, nog een dochter (Annie) en woonden ze in Helden tot 14-09-1934, waarna ze verhuisden naar de Rector Nuijtsstraat 12 in Helenaveen (foto rechts) (uitschrijving gemeente Helden).

Onder: foto uit de tijd in Helden-Panningen: De huishoudster (naam onbekend) met op schoot Silvester, daarnaast Mien en Mia.

In Helenaveen overleed Mia, 11 jaar, op 7 juli 1938. (registratie gemeente Deurne, regel 4).

Op 30-12-1940 verhuisde Antoon, die inmiddels een vennootschap had opgericht (zie rechts), naar Helmond met zijn vrouw Cornelia en kinderen Harrie, Silvester, Louis en Annie. Het gezin ging wonen op Kanaaldijk 42. Overigens spreekt de gemeente Deurne bij de uitschrijving uit hun gemeente over Kanaalstraat, de Kamer van Koophandel over Kanaaldijk. Dat laatste moet de juiste straatnaam zijn. Tegenwoordig heet het Kanaaldijk Noord-Oost.






Helmond: "Erpel, gruunte en froit"

In Helmond werkte Antoon als medevennoot van Peter "Piet" Coenrard Luijten (geb. 02-03-1906), woonachtig op Markt 46 te Helmond. De vennootschap, een grossiersbedrijf in aardappelen, groenten, fruit en zuidvruchten, werd opgericht op 1 april 1939 en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nr. 10843 met als handelsnaam Firma P.C. Luijten en Co, Noord Koninginnewal 45 Helmond. Links een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken

Aardappelen, groenten en fruit voor de groothandel werden via de Zuid-Willemsvaart per schip aangeleverd. Een foto van de bedrijfslocatie of woning uit de Helmondse periode is niet te vinden, wel een 3-tal opnames (zie links) van de omgeving Kanaaldijk Noord-Oost midden vorige eeuw.

Een paar jaar later, de Tweede Wereldoorlog was inmiddels in volle gang, verbleef Antoon veel in Utrecht. De reden is me niet bekend (misschien was Cornelia al naar Utrecht verhuisd met dochter Annie?). Feit is wel dat de enige twee jongens die Antoon nog onder zijn hoede had, Silvester en Louis (resp.plm. 14 en 12 jaar) enigszins aan hun lot werden overgelaten. Zij konden weliswaar voor een deel terugvallen op hun oudste zus Mien, die ook in Helmond woonde, maar ze werden uiteindelijk op 31-08-1943 ondergebracht in Juvenaat St. Joseph in Wellerlooi (L.) teneinde daar een vak te leren danwel opgeleid te worden tot priester.

En hier is het waar het boek "JONGENS IN OORLOGSTIJD" (zie beneden het verhaal overneemt, tot aan het einde van de oorlog. ZIE VERDEROP DEZE PAGINA.

Antoon Ottenheijm verhuisde eind jaren '40 met zijn echtgenote Cornelia Voordouw en hun dochter Annie naar Utrecht. Silvester (mijn vader), in het juvenaat opgeleid tot bakker, kwam in Asten terecht en kreeg werk en onderdak bij bakkerij van Haandel in de Tramstraat, later Prins Bernhardstraat (foto rechts; op die locatie was later bakkerij Obbema en cafe 't Oventje gevestigd, tegenwoordig Blokker). Naast de bakkerij van van Haandel had electriciën, Driekske v.d. Eijnde, zijn winkel. Hij was getrouwd met Anna van Gogh, tante van Gerrie van Gogh, mijn moeder. Het was in de beide achtertuinen waar mijn ouders elkaar ontmoetten. Louis kwam terecht in Schoonhoven en werd kok, in dienst van het Ministerie van Defensie. Antoon overleed in de Domstad op 56-jarige leeftijd op 13-12-1951. Zijn vader Jacobus Ottenheijm was precies een jaar eerder overleden in Helden-Panningen op 15-12-1950, 88 jaar oud. Op 17-12-1992 overleed Cornelia, 91 jaar oud, in Utrecht. Klik hier voor de bidprentjes van Antoon en zijn vader.

Helaas heb ik mijn grootvader Antoon Ottenheijm nooit gekend, en er werd ook weinig over hem gesproken. Alle informatie zoals beschreven op deze pagina heb ik moeten achterhalen uit archieven en familiedocumentatie.



JONGENS IN OORLOGSTIJD

Het boek "Jongens in oorlogstijd" bevat een waar gebeurd verhaal over de juvenisten van het Juvenaat "Sint Joseph der Congregatie der Broeders van O.L. Vrouw van Zeven Smarten" in Wellerlooi in het Nederlandse Limburg. Het boek beschrijft de bezetting van hun school door de Duitsers in Wereldoorlog II, hun tijdelijke onderkomen in klooster St. Paul, wat vlakbij het juvenaat lag, de evacuatie naar Groningen en later Hoogezand. Mijn vader, Silvester Ottenheijm, verbleef een paar jaar op het juvenaat ten tijde van de oorlog. Het boek geeft volgens de Broederscongregatie te Voorhout een correct beeld van de gebeurtenissen, al is het hier en daar geromantiseerd.

Dat boek lag jarenlang in een nachtkastje op de slaapkamer van mijn ouders. Op enig moment is het boek uitgeleend aan iemand, en zoals dan vaak gebeurt, nooit meer teruggekomen. We hebben het nooit meer kunnen achterhalen. Tot 2013. In dat jaar waren we, mijn broers en zus, op zoek naar een kerstcadeau voor ons ma, gingen op zoek naar een exemplaar van het boek, maar ontdekten dat het boek definitief niet meer te krijgen was. Via de Archiefdienst van de gemeente Well (L.) konden we echter wel de scans bemachtigen van de omslag en pagina's. Drukkerij Dilissen in Hechtel (B) heeft het kunnen binden, en zo konden we het bijna 400 pagina's tellende boek alsnog aanbieden aan ons ma.

Historie kan boeien en al verder speurend in de archieven van de voornoemde congregatie en die van de Stichting Archief Well, hun website en praten met beheerders, verzamelden we een hoop informatie en afbeeldingen, die ik op deze pagina heb weergegeven. Als achtergrondinformatie bij het boek, en ter nagedachtenis aan onze pa.

Met dank aan Stichting Archief Well e.o. www.archiefwell.nl en Broederscongregatie Voorhout

De auteur van het boek was Cornelis Johannes Jacobus Egelie (geboren te Rotterdam 24 juli 1894, overleden te Wellerlooi 5 november 1972). Hij woonde en werkte als administrateur op het juvenaat. Hij schreef het boek onder het pseudoniem C. van Walie. De moeder van de schrijver was Ida Antonia Walop, de vader was Cornelis Franciscus Egelie. Uit resp. het eerste en laatste deel van die twee achternamen ontstond het pseudoniem 'van Walie'. De foto links is genomen in 1956 bij een van de schoolgebouwen van het juvenaat, wat later LTS “de Hamert” werd. De schrijver staat geheel links.

Er zijn 4 pagina's in het boek waar de naam van mijn vader in het verhaal voor komt. Op bladzijde 23 komt de schrijver voor het eerst voor in zijn eigen boek. (TOON PAGINA'S))



Het Juvenaat

HISTORIE IN 'T KORT.

In 1932 kochten broeders van de congregatie O.L. Vrouw van Zeven Smarten uit Voorhout een landhuis met 80 ha. grond, gelegen aan de Rijksweg nabij de Rode Beek (Wellerlooi), van de familie Haffmans. Hier werd een opleidingsinternaat gebouwd voor de eigen congregatie om broeders op te leiden en een ambacht te leren (zie ook info rechts).

Later konden ook jongens uit de omliggende dorpen hier naar school. Hier ontstond zo het Juvenaat Sint Joseph. Op 1 mei 1938 startte ook een ULO-school, later Mavo Roobeek en een technische school, later LTS De Hamert.

)

Afbeeldingen rechts: advertentie Limburgs Dagblad 27-12-1933 en de Maas bij Wellerlooi met op de achtergrond Juvenaat St. Joseph, het scholencomplex Mavo Roobeek en LTS de Hamert.

Een juvenaat was een instelling/kleinseminarie die aan mannenkloosters (kloosterorde of congregatie) was verbonden en die de eerste fase vormde in de opleiding tot kloosterling. De leerlingen waren in de regel intern.

Voor de broederscongregatie bracht de oorlog 1940-1945 grote moeilijkheden zowel voor de opvoeding maar ook (door het ingestelde distributiesysteem) voor levensmiddelen, kleding, schoeisel en dergelijke voor de onder hun toezicht gestelde leerlingen.

Vier broeders zijn door oorlogshandelingen gewond geraakt, vier broeders zijn in de gevangenis gekomen en zeven broeders zijn gevangen genomen en tewerkgesteld in Duitsland. De tewerkgestelde broeders werden na veertien dagen vrijgelaten en teruggestuurd naar Nederland. Het juvenaat werd grotendeels verwoest, de inventaris en het vee voor het merendeel vermist. Juvenaat St. Joseph werd in het begin van de jaren 70 gesloten, maar de scholen gingen verder.

Klooster St. Paul

HET ONTSTAAN

Foto: Het klooster Sint Paul vlak na de opening in 1913.

Tijdens de oorlog zijn de juvenisten, zoals beschreven in het boek, vóór hun evacuatie naar Groningen, nog een tijd ondergebracht in het nabijgelegen klooster Sint Paul. Er bestaat een overeenkomst tussen de overste van Missiehuis St. Paul te Arcen en de algemene overste van de Broederscongregatie betreffende de geestelijke verzorging van juvenaat St. Joseph te Wellerlooi en de financiële vergoeding hiervoor. Hieronder de historie van het (inmiddels verdwenen) klooster.

Foto: Missioneren in Z-Afrika, begin 20ste eeuw.

Broeders van de Zuidafrikaanse orde Marianhill waren in Europa al tijden op zoek naar ruimte voor een vestiging. Na diverse vruchteloze pogingen in diverse landen gaf op 12 juli 1912 het gemeentebestuur van Arcen en Velden vergunning voor het oprichten van een groot klooster, St. Paul, aan de Roode Vennen te Arcen, op het landgoed Klein Vink (zie rechts).

Het ontwerp was van architect Franssen uit Roermond. Geplande bouwtijd bedroeg 5 jaar. Het waren grote bouwplannen qua omvang en volume: twee opleidingsscholen, missiehuizen voor jongeren en ouderen plus een cultureel centrum. Een zwembad voor zomer en winter en andere recreatie en sportaccommodaties, waarbij vooral tennis en kegelen een belangrijke plaats innamen. Verder een Zusterklooster en in het midden een grote kapel. Een klein ketelhuis voor centrale verwarming met radiatoren. Om voor een gedeelte in de eigen levensbehoefte te kunnen voorzien, werden er grote landbouw- en veeteeltbedrijven en talloze kleine ambachtsbedrijfjes opgericht.

Dit alles stond in eerste instantie ten dienste van het levensonderhoud, de opleiding en scholing van de toekomstige missionarissen van Mariannhill. Deze bouwlust van de monniken uit Afrika werd in Arcen door menigeen met wantrouwen gadegeslagen. Want dreigde het Missiehuis geen ‘dorp in een dorp’ te worden? De gemeente weigerde aanvankelijk haar toestemming voor de bouw van stroomgenerators. Reden: geluidshinder! Op 8 september 1912, Maria Geboorte, deden de eerste novicen hun inkleding. De fraters in het wit habijt en de broeders in een zwart habijt conform de regels van de Orde der Trappisten. Tevens werd begonnen met het canonieke koorgebed.

In totaal had men toen 2 frater novicen, 9 broeder novicen en 14 postulanten in opleiding. Mei 1913, twee jaar na aanvang, was de eerste vleugel van het nieuwe St. Paul gereed. Op de eerste verdieping was de kapel. Bij de opening van de kapel werden voor het eerst de provisorische koorbanken in gebruik genomen. Op de tweede verdieping werden de novicen en postulanten gehuisvest. De slaapplaatsen voor de broeders waren op zolder. Op de begane grond en in kelder bevonden zich refter en keuken. Ook de nieuwe werkplaats van timmerman-broeder Bartolomeus bevond zich daar. Verder waren beneden de waskeuken, schoenmakerij en de elektrische stroomvoorziening. Op 1 juni trok de nieuwe kloostergemeenschap erin.

Ook het klooster had zwaar te lijden onder beschietingen in de 2e Wereldoorlog door de Geallieerden, die wisten dat de Duitsers er een commandopost in hadden ondergebracht. Onderaan op deze pagina een paar foto's van de beschadigde gebouwen.


Overige documentatie

Mijn vader (links op de foto) werd ingeschreven in het juvenaat vanaf 31 aug. 1943 (14 jaar oud), samen met zijn broer Louis (r), die echter al na 3 maanden het juvenaat verliet. In januari 1945 werden de juvenisten vanuit Arcen geëvacueerd naar Groningen en daarna naar Hoogezand. In juni 1945 keerden ze terug maar door de zware beschadigingen aan de gebouwen werden ze allemaal naar huis gebracht (mijn vader ging terug naar Helmond).

Over de situatie op en rond het juvenaat, evacuatie, de terugkeer en andere zaken zijn diverse briefwisselingen geweest (1943-1945) tussen de Algemeen Overste van het juvenaat en de bisschop van Haarlem en de aartsbisschop van Utrecht. Tevens zijn een paar brieven van de Overste aan de ouders van de Juvenisten bewaard gebleven. Saillant detail: er zit een brief tussen, gedateerd 6 juni 1945, gericht aan de aartsbisschop van Utrecht, waarin ene broeder Naber wordt genoemd die ook in Wellerlooij woonde op het juvenaat. Hij is mede geëvacueerd naar Hoogezand, maar door schade aan de woonverblijven op het juvenaat kon ook hij, net als de juvenisten, voorlopig niet terugkeren naar Wellerlooij. Zijn functioneren op het juvenaat wordt in de brief bekritiseerd om een aantal redenen waaronder: 'particuliere vriendschap was hem niet vreemd'. Daarbij hoeft geen tekening bij te worden gemaakt, en het was waarschijnlijk de reden waarom oom Louis al na 3 maanden, onder het mom van heimwee, het Juvenaat verliet. Indirect proef je het verzoek aan de aartsbisschop om Naber in Hoogezand te laten (...)

Dat er toch nog veel documentatie bewaard is gebleven over het Juvenaat zie je op de Archiefinventaris van de Broeders van Amsterdam.

Onderstaand zijn diverse documenten (pdf) te bekijken, waaronder

Klik op FOTO'S TOEN EN NU voor een slideshow van afbeeldingen en foto's van het juvenaat.

De Congregatie

De Broederscongregatie van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten, ook bekend als Broeders van Amsterdam en Broeders met de Blauwe Koorden, is een rooms-katholieke congregatie, waarvan het moederhuis gevestigd is in Voorhout. Ze werd op 20 september 1851 opgericht te Amsterdam. Oprichters waren de priesters P.J. Hesseveld en A. Frentrop. Pater Frentrop was betrokken bij de eerste vestiging buiten Amsterdam, en wel landbouwkolonie "Sint-Aloysius" in de buurtschap Heibloem bij Heythuysen in 1852. Daarna breidde de congregatie zich naar meer plaatsen in Nederland uit, terwijl missiewerk in China, Indonesië en Canada werd verricht. De hoofdtaak van de broeders bestond uit onderwijs en opvoeding, in het bijzonder aan de kansarme jeugd. Tot de Nederlandse plaatsen waar ze gevestigd waren behoren: Amsterdam, Baarn, Beverwijk, Borculo, Broekhuizen, Den Haag, Geldrop, Harreveld, Hees, Heibloem, Leiden, Lisse, Meerveldhoven, Nederweert, Nijmegen, Noordwijkerhout, Rotterdam, Tilburg, Tubbergen, Voorhout, Warmond, Wellerlooi, en Wolvega.


Landgoed Klein Vink

Het klooster St. Paul bevond zich op het huidige landgoed ‘Klein Vink’. De naam is afgeleid van ‘klein venneke’, een landgoed van ruim 180 hectare groot dat grenst aan het Nationaal Park ‘De Hamert’ in het noorden en aan het natuurgebied ‘De Ravenvennen’ in het zuiden. Tot op de dag van vandaag herinneren ons nog tal van overblijfselen, zoals de religieuze beelden aan het begin van de oprijlaan en verspreid over het terrein, aan deze glorieuze tijd van het Klooster Sint Paul op landgoed Klein Vink.


De tegenwoordige receptie, administratie en andere kantoren zijn gehuisvest in het originele pachtershuis dat vanaf het begin functioneerde als voorlopig klooster en waar later de werkplaatsen voor schilders, timmerlieden en machine-bankwerkers werden ondergebracht. De oude kapel, die een aantal jaren heeft gefunctioneerd als smederij, is inmiddels in haar oude staat gerestaureerd en wordt onder meer gebruikt als expositieruimte. Opvallend is dat het klokje van de kapel tot op de dag van vandaag trouw de vespers luidt.

Toen in de jaren zestig de omwenteling binnen de R.-K. Kerk ook het missiehuis St. Paul trof, werd er gezocht naar een nieuwe bestemming voor het unieke landgoed Klein Vink en de zich daarop bevindende gebouwen. In 1969 werd een begin gemaakt met de realisatie van het recreatiepark Klein Vink. Er werden 220 vakantiebungalows en een camping van 15 hectare aangelegd.

top pagina